Onze diensten

Wij helpen u graag met de onderstaande diensten

Kies uw categorie

Overeenkomst familierecht
In het dagelijks leven is er een veelheid aan gebeurtenissen waar het recht één of meer gevolgen aan verbindt. Vaak staan mensen er niet bij stil en doet men vanzelf wat volgens de regels zou moeten. Maar er zijn ook gevolgen die men niet zo vanzelfsprekend vindt. Hieronder staan een aantal onderwerpen met aandachtspunten ter kennisneming. Mocht u na lezing nog vragen hebben dan kunt u kontakt opnemen met mijn kantoor.

Notaris & Familie:

 

  •     adoptie
  •     afwikkeling nalatenschap
  •     bewind
  •     echtscheiding
  •     gemeentelijke basisadministratie
  •     huwelijk gelijk geslacht
  •     huwelijksvermogensrecht en het Haags Verdrag
  •     huwelijksvoorwaarden soms verstandig
  •     naamrecht
  •     partnerschapregistratie
  •     pensioenverevening
  •     samenlevingscontract onmisbaar
  •     schenking
  •     successiewet en samenwoners
  •     testament
  •     verklaring van erfrecht
  •     voogdij
  •     voogdij en testament
  •     vruchtgebruik woning
  •     vruchtgebruiktestament en
  •     inkomstenbelasting
  •     wie krijgt uw erfenis als u overlijdt zonder
  •     testament?
  •     wat gaat er veranderen voor de echtgenoot en
  •     de kinderen?
  •     wat zijn wilsrechten van kinderen?
  •     wat zijn de wettelijke rechten van de echtgenoot?
  •     wat kunt u regelen ten behoeve van de kinderen
  •     van uw echtgenoot?
  •     wat is een legitieme portie?
  •     wat is een executeur?
  •     wat kunt u doen?
  •     erfrecht en nationaliteit
  •     oud testament in nieuw erfrecht
  •     geen testament

 

Adoptie

Door adoptie komt een nieuwe, wettelijke familieband tussen het kind en de adoptiefouders tot stand met alle rechten en verplichtingen die daarbij horen. Adoptie is een zeer ingrijpende maatregel omdat de familieband met de oorspronkelijke ouders ophoudt te bestaan. Voorwaarde is wel dat het kind niets meer heeft te verwachten van de oorspronkelijke ouders en dat de adoptie in het belang van het kind is.
Wie kunnen adopteren?

Paren van verschillend geslacht kunnen samen een kind in Nederland adopteren als zij direct voorafgaand aan het verzoek ten minste 3 jaar hebben samengewoond en zij het kind samen 1 jaar hebben verzorgd en opgevoed. Hetzelfde geldt sinds 1 april 2001 ook voor paren van hetzelfde geslacht. Het is geen vereiste dat de partners met elkaar getrouwd zijn.

Een persoon kan ook een kind in Nederland adopteren als deze het kind gedurende 3 jaar heeft verzorgd en opgevoed.
Stiefouderadoptie

Bij stiefouderadoptie heeft het kind nog één ouder en kan de partner van de ouder het kind adopteren. In tegenstelling tot hetgeen hierboven staat vermeldt geldt hier niet de voorwaarde dat de familieband met de oorspronkelijke ouders wordt verbroken. Alleen de familieband met de andere ouder (indien aanwezig) wordt verbroken.

Voor stiefouderadoptie geldt dat de stiefouder tenminste 3 jaar heeft samengewoond met de ouder en dat de stiefouder ten minste 1 jaar voor het kind heeft gezorgd.

Hier geldt echter één uitzondering. Indien twee vrouwen een relatie hebben en één van hen krijgt een kind, dan kan de andere vrouw direct na de geboorte een adoptieverzoek indienen bij de rechtbank. Wel van belang is dat de twee vrouwen 3 jaar hebben samengewoond.

Andere voorwaarden

 

  •     de adoptiefouders mogen niet de grootouders van het kind zijn;
  •     de adoptiefouders moeten tenminste 18 jaar ouder zijn dan het kind;
  •     op de dag van het verzoek moet het kind minderjarig zijn; als het kind ouder is dan 12 jaar moet het zelf geen bezwaar
    hebben tegen de adoptie, is het kind jonger dan 12 jaar dan telt zijn mening ook mee;
  •     de oorspronkelijke ouders mogen geen bezwaar hebben tegen de adoptie; deze voorwaarden gelden niet indien de ouders    niet of nauwelijks met het kind in gezinsverband hebben samengeleefd of het kind ernstig is verwaarloosd door de ouders, of de ouder is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf jegens het kind.

Rechter

Het verzoek om adoptie dient te worden ingediend bij de rechtbank. Hierbij dient men te worden bijgestaan door een advocaat. De kosten voor deze procedure (de advocaat, griffierecht etc.) komen voor rekening van de adoptiefouders. In sommige gevallen zijn deze kosten overigens aftrekbaar van de inkomstenbelasting.
2. Afwikkeling Nalatenschap

Als hoofdregel kan worden gesteld dat een nalatenschap in drie fasen wordt afgewikkeld, te weten:

  •     afgifte verklaring van erfrecht;
  •     successie-aangifte;
  •     afgifte legaten en verdeling.

 

Verklaring van erfrecht

Door het overlijden rijst de vraag wie de erfgenamen zijn. Dit wordt door de notaris vastgesteld door middel van de verklaring van erfrecht. De verklaring van erfrecht is als het ware een legitimatiebewijs van de erfgenamen om aan te tonen dat zij tot de nalatenschap zijn gerechtigd. Met behulp van zo’n verklaring van erfrecht wordt de blokkade van bankrekeningen opgeheven, kunnen de erfgenamen de omvang van de nalatenschap inventariseren en de schulden van de overledene betalen.

Bij het opstellen van een verklaring van erfrecht gaat de notaris na of er een testament aanwezig is, of de overledene kinderen had en wie de erfgenamen zijn. Hierbij kan het noodzakelijk zijn dat de kinderen berustingverklaringen dienen te ondertekenen. Ook is het praktisch dat één iemand wordt gemachtigd om voor en namens de erfgenamen de nalatenschap af te wikkelen. Hiermee wordt voorkomen dat voor allerlei handelingen steeds de handtekeningen van alle erfgenamen noodzakelijk zijn.
Successie-aangifte

Binnen acht maanden na het overlijden dient de aangifte voor het recht van successie te worden ingediend bij de belastingdienst. Het kan voorkomen dat de belastingdienst van te voren een informatieformulier toezendt; afhankelijk van de bedragen kan de belastingdienst de erfgenamen ontslaan van de verplichting tot indiening van de aangifte. Bij het invullen van de aangifte kan de inventarisatie van de omvang van de nalatenschap plaatsvinden.

De aangifte wordt gevolgd door een aanslag. Meestal komt de aanslag binnen twee maanden na de indiening van de aangifte. De eventuele betaling dient binnen twee maanden te geschieden. Het is dus niet vreemd dat de afwikkeling van een nalatenschap langer dan een jaar kan duren.
Afgifte legaten en verdeling

Na afronding van het fiscale gedeelte met de eventuele betaling van het successierecht volgt de laatste fase: de afgifte van legaten overeenkomstig het testament. Voorts dient de nalatenschap in geval er meerdere erfgenamen aanwezig zijn te worden verdeeld. Dit speelt ook bij een zogeheten langstlevende testament. Afhankelijk van het soort langstlevende testament dient het vruchtgebruik van de langstlevende ouder bij notariële akte te worden gevestigd dan wel dienen de rechten van de kinderen op grond van de ouderlijke boedelverdeling te worden vastgesteld.

Laten de erfgenamen deze laatste fase achterwege dan blijft bijvoorbeeld het huis nog op naam van de overleden staan. Jaarlijks zullen de gemeentelijke belastingen en de waterschapslasten gericht zijn aan de overledene.

Bewind

Indien een meerderjarig persoon niet meer (geheel) in staat wordt geacht zijn eigen belangen goed te kunnen behartigen geeft de wet de mogelijkheid om (een deel van) de goederen van die persoon onder bewind te stellen. Onderbewindstelling van goederen is bedoeld voor mensen die door hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in staat zijn om hun financiële belangen te behartigen. Deze maatregel is alleen mogelijk bij meerderjarigen. Totdat iemand achttien jaar is, zorgen de ouders of voogd voor de belangen van minderjarigen. Onderbewindstelling kan wel al worden gevraagd, voordat iemand meerderjarig is. Met een onderbewindstelling wordt getracht het vermogen van de betrokkene te beschermen.
Curatele

Een andere maatregel is de ondercuratelestelling. De ondercuratelestelling is bedoeld voor mensen die zowel hun financiële als andere persoonlijke belangen niet meer kunnen behartigen. Iemand die onder curatele is gesteld verliest zijn handelingsbekwaamheid en mag niet meer zonder toestemming van de curator zelfstandig rechtshandelingen verrichten. Een verzoek tot ondercuratelestelling moet bij de rechtbank worden gedaan door middel van een advocaat en is daardoor een lastige en kostbare procedure. Curatele is ingrijpender dan bewind en wordt in de praktijk alleen in ernstige situaties toegepast.
Kantonrechter

Een verzoek tot onderbewindstelling moet bij de kantonrechter worden gedaan in het rechtsgebied waar de persoon voor wie de onderbewindstelling is bedoeld, woont. Een verzoek aan de kantonrechter kunt u zelf doen. U bent niet verplicht om daarvoor een advocaat of notaris in te schakelen. Voor het verzoek om een onderbewindstelling is een speciaal formulier ontwikkeld, welk formulier bij het desbetreffende kantongerecht dient te worden ingeleverd. Dit formulier kunt u tezamen met een brochure bij de notaris ophalen. Voor een verzoek aan de kantonrechter moet u een bijdrage in de kosten van de rechtspraak betalen; dit noemt men griffierechten.
Bewindvoerder

Bij de aanvraag voor de onderbewindstelling is het mogelijk een voorstel te doen voor de te noemen bewindvoerder. Op grond van de wet zijn er personen die bij voorkeur tot bewindvoerder worden benoemd. Deze personen zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel. Zijn deze personen er niet dan wordt een beroep gedaan op de kinderen, ouders, broers of zusters. Naast de mogelijkheid om een natuurlijk persoon als bewindvoerder te benoemen kan de kantonrechter ook een stichting benoemen.

De bewindvoerder behartigt alleen iemands financiële belangen. De bewindvoerder maakt kort na zijn benoeming een beschrijving van alle goederen die onder het bewind vallen. Wil de bewindvoerder goederen verkopen die onder het bewind vallen, dan moet de bewindvoerder daarvoor toestemming hebben van degene voor wie het bewind is ingesteld. Wil of kan de betrokkene daarvoor geen toestemming geven, dan kan de bewindvoerder aan de kantonrechter om machtiging vragen.

Flitsechtscheiding



In Nederland kan een echtscheiding alleen plaatsvinden als het huwelijk ‘duurzaam ontwricht’ is. Duurzame ontwrichting is de enige reden die de Nederlandse wet geeft voor echtscheiding en scheiding van tafel en bed. Er is sprake van duurzame ontwrichting als de verhouding binnen het huwelijk zo moeilijk is geworden dat het eigenlijk niet mogelijk is om nog langer bij elkaar te blijven.
Rechter

Een echtscheiding, een scheiding van tafel en bed en een ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zijn drie verschillende dingen.

Bij een echtscheiding wordt het huwelijk beëindigd. Alle juridische banden tussen de echtgenoten worden verbroken. Na de echtscheiding is het mogelijk opnieuw met iemand anders te trouwen of een geregistreerd partnerschap te sluiten.

Bij een scheiding van tafel en bed blijft het huwelijk nog in stand. Maar de echtgenoten/partners hebben niet meer de verplichting om samen te wonen. Enige rechten en plichten van het huwelijk blijven gewoon bestaan doch de financiën worden gescheiden. Een scheiding van tafel en bed kan een oplossing zijn als samenwonen onmogelijk is geworden en om godsdienstige of financiële redenen geen echtscheiding gewenst is.

Indien de echtgenoten/partners na een scheiding van tafel en bed helemaal uit elkaar willen, dan kunnen zij de rechter vragen om ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed.

Zowel voor een scheiding als voor een ontbinding van het huwelijk moeten de echtgenoten/partners naar de rechter en hebben zij een advocaat nodig. Naast een verzoek om scheiding of ontbinding van het huwelijk kunnen de echtgenoten/partners in het verzoekschrift vragen om één of meer nevenvoorzieningen. Een nevenvoorziening is een beslissing van de rechter over een verzoek dat samenhangt met de scheiding of de ontbinding van het huwelijk. De rechter kan een nevenvoorziening treffen voor:

    het gezag over en de omgang met de minderjarige kinderen;
    de alimentatie voor de partner en/of de kinderen;
    de boedelverdeling;
    de huur van de echtelijke woning;
    andere zaken die met de scheiding samenhangen.

Alternatief

Sinds 1 april 2001 bestaat een mogelijkheid de weg van de rechter te vermijden. Wanneer tussen de echtgenoten/partners overeenstemming bestaat omtrent de beëindiging van de relatie alsmede overeenstemming bestaat op welke wijze de financiën, het huis, het pensioen en de alimentatie wordt geregeld, dan bestaat de mogelijkheid de relatie buiten de rechter om te beëindigen. In overleg kan via de Burgerlijke Stand het huwelijk in een geregistreerd partnerschap worden omgezet. Na deze omzetting kan het geregistreerd partnerschap worden ontbonden via een speciale overeenkomst tussen partijen en een advocaat of notaris. Door eveneens inschrijving van die overeenkomst bij de Burgerlijke Stand wordt het geregistreerd partnerschap en impliciet het huwelijk ontbonden. Hiermee wordt de (kostbare en tijdvergende) weg van de rechter omzeild.
5. Gemeentelijke BasisAdministratie Persoonsgegevens
Algemeen

In de Gemeentelijke BasisAdministratie Persoonsgegevens worden de persoonsgegevens van alle burgers opgeslagen en bijgehouden die van belang kunnen zijn voor alle overheids- en semi-overheidsinstanties in Nederland. Dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente waar de burger zijn woonplaats heeft. De gemeente houdt van iedere ingeschrevene op deze manier een Persoons lijst bij. Op deze Persoonslijst wordt de administratieve levensloop van de burger vastgelegd, waaronder de geboorteakte, de huwelijksakte of een rechterlijke uitspraak.
Notaris

De notaris kan door middel van het zenden van een e-mail naar de gemeente van de woonplaats van zijn cliënt om inlichtingen uit de Persoonslijst van zijn cliënt verzoeken.

Binnen 48 uur zal de desbetreffende gemeente het verzoek beantwoorden en de Persoonslijst doorsturen naar de notaris. De persoonsgegevens die op deze Persoonslijst staan zijn onder andere: de personalia van de cliënt, gegevens omtrent burgerlijke staat (waaronder ook de gegevens van eventuele ex-echtgenoten), de afstammelingen die door de persoon erkend zijn.
Wet GBA

Op 1 oktober 1994 is de Wet Gemeentelijke BasisAdministratie Persoonsgegevens in werking getreden. Door deze wet worden alle papieren Persoons kaarten vervangen door volledig geautomatiseerde elektronische Persoons lijsten . Dit bevordert de uitwisseling van persoonsgegevens met andere gemeenten en met de daartoe gerechtigde instanties. De mogelijkheid bestaat dat op de Persoonslijst geen persoonsgegevens voorkomen van personen die vóór 1 januari 1966 geboren zijn. In dat geval zal de notaris schriftelijk om de persoonsgegevens verzoeken die op de Persoons kaart vermeld staan.
Privacy?

Het recht van de notaris om een onderzoek bij de Gemeentelijke BasisAdministratie Persoonsgegevens in te stellen is beperkt tot die gegevens die voor de publiekrechtelijke taak van de notaris noodzakelijk zijn. Ten aanzien van de Wet op de privacy heeft elke burger recht op inzage in de over hem/haar vastgelegde gegevens. Tevens kan de burger bij de gemeente van zijn woonplaats een verzoek indienen hem/haar te informeren wie het afgelopen jaar inzage in zijn/haar Persoonslijst heeft gehad.

Uit de Persoonslijst van Willem, welke de notaris van de gemeente heeft ontvangen, blijkt inderdaad dat Willem gehuwd is geweest met Marie, maar dat uit dat huwelijk geen kinderen zijn geboren. Tevens blijken de gegevens te kloppen dat uit het huwelijk van Willem met Truus twee kinderen zijn geboren.

Huwelijk gelijk geslacht

Geregistreerd partnerschap

In 1998 is het geregistreerd partnerschap ingevoerd waardoor paren van gelijk geslacht kunnen kiezen voor een wettelijk geregelde samenlevingsvorm. De juridische gevolgen van een partnerschapsregistratie komen veelal overeen met die van het huwelijk, behalve ten aanzien van kinderen. Partnerschapsregistratie staat ook open voor mensen die wel zouden kunnen trouwen maar om welke reden dan ook niet willen trouwen. Vanaf 1 april 2001 kunnen paren van gelijk geslacht nu ook kiezen voor het “echte” trouwen.
Omzetting geregistreerd partnerschap

Een geregistreerd partnerschap kan worden omgezet in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet hiervoor een akte van omzetting opmaken. De akte van omzetting wordt opgenomen in het register van huwelijken van de desbetreffende gemeente. Door de omzetting eindigt het geregistreerd partnerschap en is het huwelijk een feit. Andersom kan een huwelijk op dezelfde wijze worden omgezet in een geregistreerd partnerschap. De akte wordt dan opgenomen in het register van geregistreerde partnerschappen.
Gevolgen voor kinderen

Als een vrouw en een man met elkaar getrouwd zijn en uit dit huwelijk een kind wordt geboren, zijn zij van rechtswege de ouders van het kind. De vrouw uit wie het kind wordt geboren is de moeder. De echtgenoot van de moeder wordt door de wet beschouwd als de vader. Door het huwelijk ontstaan tussen de echtgenoten en het kind alle familierechtelijke banden. Met alle rechten en plichten van dien. Die rechten en plichten ontstaan niet automatisch als twee vrouwen met elkaar trouwen. Als er in dat huwelijk een kind wordt geboren, geldt ook hier dat de vrouw die het kind baart de moeder is van het kind. De vrouw met wie zij is getrouwd is volgens de wet niet automatisch de andere ouder. Dat is zij pas na adoptie van het kind. Het huwelijk als zodanig heeft dus voor de relatie tussen de andere vrouw en het kind geen gevolgen. Hetzelfde geldt als twee mannen samen een kind verzorgen en opvoeden en één van hen is de vader van het kind. Als zij trouwen heeft het huwelijk als zodanig geen gevolgen voor de relatie tussen de andere man en het kind.
Buitenland

Door het huwelijk voor paren van gelijk geslacht loopt Nederland voorop in de wereld. Er zijn wel landen in Europa die net als Nederland het geregistreerd partnerschap kennen. Dit betekent echter wel dat paren van gelijk geslacht in het buitenland problemen kunnen ondervinden met de acceptatie van hun huwelijk en de gevolgen daarvan niet overal worden geaccepteerd.

Niet alleen praktisch en sociaal, maar ook in juridisch opzicht kunnen zich problemen voordoen. Bij een kort verblijf in het buitenland zoals een vakantie zal het vooral om praktische en sociale problemen gaan. Maar bij een langer verblijf of een emigratie kunnen zich op belangrijke gebieden juridische problemen voordoen, bijvoorbeeld op het gebied van het erfrecht. Wanneer het huwelijk in het buitenland niet wordt erkend hoeft dat overigens nog niet te betekenen dat het huwelijk geen enkele betekenis in het buitenland heeft.

Huwelijksvermogensrecht en het Haags Verdrag

Ali en Tanyel komen oorspronkelijk uit Turkije maar wonen reeds acht jaar in Nederland. Zij hebben beiden nog steeds de Turkse nationaliteit. In 1993 zijn zij in Turkije met elkaar getrouwd. Het huwelijk is helaas gestrand. Ali en Tanyel besluiten te gaan scheiden. De vraag rijst welk recht op hun echtscheiding van toepassing is, het Nederlandse of het Turkse?
Internationaal privaatrecht

Het is niet vanzelfsprekend dat het Nederlands huwelijksvermogensrecht altijd van toepassing is. Welk recht van een land van toepassing is, wordt bepaald door de regels van het internationaal privaatrecht. Ieder land heeft zijn eigen regels van internationaal privaatrecht. Zo zijn de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht anders dan die van bijvoorbeeld het Turkse internationaal privaatrecht. In Nederland worden de regels van het Nederlands internationaal privaatrecht toegepast. Men moet er dus op bedacht zijn dat als men bezittingen buiten Nederland heeft – bijvoorbeeld in Turkije -, niet de Nederlandse regels, maar ook de Turkse regels van internationaal privaatrecht door de Turkse autoriteiten worden toegepast.
Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978

Toepassing van verschillende nationale regels van internationaal privaatrecht kan tot verschillende, soms tegenstrijdige resultaten leiden. Om dat te voorkomen sluiten landen verdragen. De landen die partij worden bij een verdrag passen dezelfde verdragsregels toe. Met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht is in 1978 het Haags Huwelijksvermogensverdrag gesloten. Het verdrag is op 1 september 1992 in werking getreden. Momenteel zijn er drie landen bij dit verdrag aangesloten: Nederland, Frankrijk en Luxemburg. Het verdrag geldt voor iedereen die na 1 september 1992 is getrouwd. Het wordt toegepast als het huwelijksvermogen – bij echtscheiding of overlijden – in één van de verdragslanden moet worden verdeeld, bijvoorbeeld omdat daar de echtscheiding plaatsvindt.
Nationaliteitsland, woonplaatsland en gemeenschappelijke nationaliteit

In sommige landen geldt de regel dat het huwelijksvermogensrecht van het land van toepassing is, waarvan de beide echtgenoten de nationaliteit hadden op het moment van huwelijkssluiting. In andere landen daarentegen geldt de regel dat het huwelijksvermogensrecht van het land van toepassing is, waar beide echtgenoten direct na de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke woon- en verblijfplaats hebben gevestigd. Een derde mogelijkheid doet zich voor indien de echtgenoten vóór het huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, dan hebben zij volgens het verdrag een gemeenschappelijke nationaliteit en is het huwelijksvermogensrecht van het land van hun gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing. Bij verandering van nationaliteit of tienjarig verblijf in een ander land kan een ander rechtsstelsel in beginsel en automatisch van toepassing worden.
Hoe verder met Ali en Tanyel?

Turkije is een hierboven gemeld nationaliteitsland. Turkije is echter niet aangesloten bij het Haags Huwelijksvermogensverdrag. Volgens Turks recht is op het huwelijk het Turkse huwelijksvermogensrecht van toepassing, terwijl volgens het Nederlandse recht het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Om lastige vraagstukken te voorkomen hadden Ali en Tanyel er verstandig aangedaan een rechtskeuze te maken.

Huwelijksvoorwaarden soms verstandig

Algehele gemeenschap

De gevolgen van de algehele gemeenschap van goederen zijn niet altijd gewenst. Een aantal willekeurig gekozen voorbeelden kan dit illustreren:

  •     De man heeft een forse schuld door een niet van de grond gekomen eigen bedrijf, terwijl de vrouw welgestelde ouders heeft en vermoedelijk een groot vermogen zal erven bij het overlijden van haar ouders.
  •     De man heeft een eigen huis terwijl de vrouw een studieschuld heeft.
  •     De vrouw was eerder gehuwd geweest, welk huwelijk door overlijden is beëindigd. Op grond van de verdeling van de erfenis heeft zij forse schulden aan haar kinderen.


In al deze gevallen doet een aanstaand echtpaar er verstandig aan hun financiële situatie te onderkennen en daarvoor maatregelen te treffen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het maken van huwelijkse voorwaarden. Een akte van huwelijkse voorwaarden kan vóór of tijdens het huwelijk worden gemaakt. Aan het wijzigen of maken van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk zijn aanzienlijk hogere kosten verbonden.
Redenen huwelijkse voorwaarden

In zijn algemeenheid doen aanstaande echtparen er goed aan na te denken over huwelijkse voorwaarden in de navolgende gevallen:

  •     indien plannen zijn of zullen zijn om een eigen onderneming te starten;
  •     indien een groot verschil is of zal zijn in inkomen en/of vermogen;
  •     indien partijen de financiële gevolgen van het einde van het huwelijk door overlijden of echtscheiding bij voorbaat willen regelen.


Hierbij bestaat een groot scala van mogelijkheden. In een gesprek met de notaris kan hierover nader van gedachten worden gewisseld. Belangrijk is te realiseren dat huwelijkse voorwaarden een zakelijke overeenkomst tussen de (aanstaande) echtgenoten is. Bij de bespreking zal aandacht worden besteed aan kwesties zoals inboedel, inkomen, vermogen, huishoudkosten, premies van levensverzekering en eventuele verrekening van bespaard inkomen.

Er kleeft een aantal nadelen aan het maken van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk. De eventuele gemeenschap van goederen moet worden verdeeld, hetgeen een verdelingsakte vraagt. Bovendien moet de rechtbank de huwelijkse voorwaarden goedkeuren, waardoor er ook extra kosten aan griffierecht en advocatenkosten zijn.

De huwelijkse voorwaarden worden door de notaris de dag na het huwelijk bij de griffie van de rechtbank in het openbare huwelijksgoederenregister ingeschreven. Aanstaande echtgenoten moeten daarom aan de notaris de dag en plaats van het huwelijk opgeven.

 

Naamrecht

In zijn paspoort stond als naam Frank Mulder vermeld. Wonderlijk werd het toen Frank zich opeens Frank de Vries noemde. Wat zou er aan de hand zijn met Frank?
Inleiding

Tot 1 januari 1998 was het naamrecht strak geregeld. De kinderen kregen de achternaam van hun vader. Getrouwde vrouwen hadden de bevoegdheid de naam van hun echtgenoten te gebruiken, eventueel gevolgd door hun eigen achternaam. Met ingang 1 januari 1998 zijn de regels grondig gewijzigd; liefhebbers van stambomen hebben het vanaf die tijd knap lastig gekregen.
Achternaam kinderen

Thans kunnen ouders kiezen welke achternaam hun kind zal dragen. De keuze is eenmalig en geldt voor alle volgende kinderen in het gezin. Om de keuze officieel te maken moeten de ouders samen naar de burgerlijke stand gaan om aangifte te doen. Leggen de ouders niet vóór of bij de aangifte van de eerstgeborene samen een verklaring af, dan krijgt het kind en al hun volgende kinderen automatisch de achternaam van de vader.

Heeft een kind alleen familierechtelijke betrekkingen met de moeder dan krijgt het kind de achternaam van de moeder. Wordt het kind door de vader erkend, dan behoudt het eveneens de achternaam van de moeder, tenzij de moeder en de ‘erkenner’/vader gezamenlijk verklaren dat het kind de achternaam van de vader zal hebben.

Wordt een kind geadopteerd dan kiezen de adoptief ouders de achternaam van één van hen beiden. Voorwaarde is wel dat het hun eerste kind is. De naamskeuze vindt plaats tijdens de adoptie bij de rechter. Wordt een kind erkend of geadopteerd als het kind 16 jaar of ouder is, dan kiezen niet de ouders maar het kind zelf de achternaam.
Naam echtgenoten en geregistreerde partners

Echtgenoten en partners die hun relatie hebben laten registreren bij de burgerlijke stand (geregistreerde partners) mogen elkaars achternaam gebruiken. Voor dat gebruik zijn drie mogelijkheden:

  •     eerst de eigen naam, gevolgd door de naam van de partner;
  •     eerst de naam van de partner, gevolgd door de eigen naam;
  •     de naam van de partner in plaats van de eigen naam.

 

Voor het echtpaar de heer Jansen en mevrouw Smit bestaan de volgende vier alternatieven:

  •     de heer Jansen-Smit en mevrouw Smit-Jansen
  •     de heer en mevrouw Jansen-Smit
  •     de heer en mevrouw Smit-Jansen
  •     mevrouw Jansen en de heer Smit

 


Naamswijziging

Daarnaast bestaat de mogelijkheid de achternaam officieel te wijzigen. Het verzoek wordt bij het Ministerie van Justitie ingediend. Alleen in bepaalde gevallen wordt zo’n verzoek toegewezen. Ik noem als voorbeeld de mogelijkheid de achternaam te veranderen in die van de (andere) verzorger, wijziging van een niet-Nederlandse achternaam of het toevoegen van de achternaam van de moeder als deze naam is uitgestorven of dreigt uit te sterven. Voorts kan worden gedacht aan het wijzigen van veel voorkomende namen en van eventueel onwelvoegelijke achternamen.

Daarnaast kunnen via de rechtbank voornamen officieel worden gewijzigd.


Partnerschapregistratie

Samenwonen

Voor samenwoners heeft de wet niets geregeld. Het enige dat zij kunnen doen is met elkaar goede afspraken maken en deze vastleggen in een notarieel contract. Als er geen samenlevingscontract is en ze gaan om welke reden dan ook uit elkaar, dan mogen ze alleen hun privé-spullen meenemen. Over wie de gemeenschappelijke spullen krijgt kan eventueel bij de rechter worden geprocedeerd. Met een samenlevingscontract kan veel ellende worden voorkomen. Hierin kan onder andere worden opgenomen een regeling met betrekking tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding; (bewijs)regels met betrekking tot gemeenschappelijke en privé-goederen, de partnerpensioenregeling en regels met betrekking tot het einde van de samenwoning.

Naast een notarieel samenlevingscontract is het verstandig ook testamenten te maken. Herman en Willem zijn immers volgens de wet geen erfgenaam van elkaar en op deze wijze wordt geregeld dat de nalatenschap aan de langstlevende partner toekomt.
Partnerschapregistratie

Een partnerschap wordt bij de gemeente geregistreerd. Deze registratie lijkt veel op het huwelijk. Een aantal gevolgen is hetzelfde namelijk:

  •     er is automatisch een gemeenschap van goederen tenzij men dat anders regelt in partnerschapvoorwaarden;>
  •     de partnerschapregistratie kent net als het huwelijk een zorgplicht. Dit betekent dat tijdens het geregistreerd partnerschap en na een scheiding eventueel alimentatie betaald dient te worden;
  •     de partners zijn automatisch erfgenaam van elkaar;
  •     men heeft automatisch recht op een partnerpensioen.


Het grote verschil met het huwelijk is dat er niet automatisch een familierechtelijke betrekking tussen de partner en de uit de relatie geboren kinderen ontstaat.

De sluiting van een geregistreerd partnerschap gebeurt bij de ambtenaar van de burgerlijke stand in aanwezigheid van twee getuigen. De partners moeten vooraf aangifte doen vergelijkbaar met ondertrouw bij het huwelijk. De registratie kan net zoals bij het huwelijk op zijn vroegst twee weken na de datum van de akte van aangifte plaatsvinden.
Partnerschapvoorwaarden

Indien het partnerschap geregistreerd is, dan zijn de bezittingen en schulden van beide partners gezamenlijk. Met andere woorden men is ‘getrouwd’ in gemeenschap van goederen. Als dit niet gewenst is, dan zal men vóór de registratie partnerschapvoorwaarden moeten opmaken bij de notaris, vergelijkbaar met de bekende ‘huwelijkse voorwaarden’. Als men dit doet nadat men zijn partnerschap geregistreerd heeft, dan zijn de kosten hiervoor aanmerkelijk hoger, omdat er een rechter aan te pas moeten komen.

Sinds kort bestaat de mogelijkheid het huwelijk in een partnerschapregistratie om te zetten en andersom. De keuze voor de een of de ander is vooral een gevoelsmatige keuze.

Pensioenverevening

Na jaren van gelukkig huwelijk besluiten Marco en Leontien te gaan scheiden. Ter wille van de kinderen gaan ze beiden naar een mediator om de afwikkeling van de echtscheiding te regelen. Onderdelen van de echtscheiding zijn het gezag en de opvoeding van de kinderen, de alimentatie en de verdeling van de gemeenschap van goederen. Hierbij valt ook te denken aan de vraag wie in het huis mag blijven wonen.
Tevens zullen zaken geregeld moeten worden die pas later in het leven merkbaar zijn. Een voorbeeld hiervan zijn de pensioenen.
Pensioenrechten

Normaal gesproken bestaan de pensioenrechten uit ouderdomspensioen en (bijzonder) nabestaandenpensioen. Het ouderdomspensioen is een voorziening voor het geval u zelf met pensioen gaat. Het nabestaandenpensioen gaat in bij overlijden en is bestemd voor de nabestaanden, zijnde de langstlevende echtgenoot, de kinderen en de eventuele ex-echtgenoot. Via een samenlevingscontract kunnen samenwoners regelen dat hun partner gelijk wordt gesteld met een echtgenoot opdat bij overlijden de partner óók een pensioen ontvangt.
De vraag rijst of de ex-echtgenoot ook aanspraak kan maken op het ouderdomspensioen als de pensioengerechtigde nog in leven is.
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

Op 1 mei 1995 is de “Wet verevening pensioenrechten bij scheiding” in werking getreden. In deze wet staat dat beide ex-echtgenoten recht hebben op de helft van het ouderdomspensioen dat tussen huwelijkssluiting en echtscheiding of scheiding van tafel en bed is opgebouwd. Vanaf 1 mei 1995 hebben ex-echtgenoten bij echtscheiding (of scheiding van tafel en bed) derhalve allebei recht op een deel van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Ook wordt geregeld de mogelijkheid dat beide ex-echtgenoten hun deel van het pensioen apart krijgen uitbetaald door de pensioenuitvoerder. Hiermee wordt de ex-echtgenoot onafhankelijk van de alimentatie.

VUT-regelingen, ongehuwden-pensioenen, lijfrenten, invaliditeitspensioenen en bepaalde tijdelijke pensioenen vallen niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

AOW-pensioenen vallen ook niet onder de wet. Die worden immers aan iedereen die 65 jaar wordt individueel uitbetaald.
Formulier “Mededeling van scheiding i.v.m. verdeling van ouderdomspensioen”

Voor de uitvoering van deze wet is een formulier “Mededeling van scheiding in verband met verdeling van ouderdomspensioen” gemaakt. Met dit formulier kunnen ex-echtgenoten de pensioenuitvoerder melden, dat zij gescheiden zijn en dat zij willen dat het ouderdomspensioen wordt verdeeld. Door het indienen van het formulier ontstaat voor degene die het pensioen niet zelf heeft opgebouwd, het recht op uitbetaling door de pensioenmaatschappij.
Pensioenbreuk

Het gevolg van de pensioenverevening is dat voor de pensioengerechtigde een pensioenbreuk ontstaat. Bij huwelijkse voorwaarden had dit kunnen worden voorkomen. Zo kunnen huwelijkse voorwaarden bepalen dat het ouderdomspensioen alleen ten gunste komt voor degene die het heeft opgebouwd. Hadden Marco en Leontien zulke huwelijkse voorwaarden gemaakt dan was géén sprake van een pensioenbreuk met alle gevolgen van dien.

Samenlevingscontract onmisbaar

Dertig jaar geleden was samenwonen zonder gehuwd te zijn een zeldzaam fenomeen. Nu telt Nederland meer dan 1 miljoen samenwoners, zonder dat de wetgever in structurele regelingen heeft voorzien. Niet iedereen realiseert zich dat een samenlevingscontract goede diensten kan bewijzen.
Inleiding

Meer dan een miljoen Nederlanders wonen samen zonder gehuwd te zijn. Soms als een opstap naar het huwelijk, soms heel bewust als een alternatief voor een huwelijk. Het is van groot belang stil te staan bij de (financiële) gevolgen van het samenwonen. De onderlinge rechten en verplichtingen zijn niet altijd even kristalhelder. Hoe het met de eigendom en financiële lasten van het eigen huis zit, met de huishoudkosten of wat de fiscus of de sociale dienst van het samenleven vindt, zijn vragen die onder ogen moeten worden gezien. Of er erfrechtelijk consequenties zijn, en of die wel acceptabel zijn is ook nog maar de vraag.

Daarom valt er heel wat – bij voorbaat – te regelen. Goede afspraken die op papier worden vastgelegd zijn bijna onmisbaar.

Stel u heeft met uw partner een eigen huis gekocht of gehuurd en met z’n tweeën ingericht. De spullen van u beiden staan aardig in de nieuwe woning, aangevuld met wat nieuw gekochte meubelen. Heeft u zich gerealiseerd wie eigenlijk aansprakelijk is voor welke lasten? Als u hierover geen afspraken maakt, is in principe de eigenaar aansprakelijk. Met betrekking tot het eigen huis geeft de eigendomsverhouding de doorslag. Staat het huis op beider naam, dan bent u samen ieder voor een gelijk aandeel eigenaar. De hypothecaire financiering kan los van deze eigendomsverhouding geregeld zijn. Stel dat één van beide de lening voor het huis is aangegaan. Deze partner is dan in zijn eentje aansprakelijk tegenover de bank voor de nakoming van de rentebetaling en aflossing. Dit lijkt toch wat scheef, want de andere partner betaalt dan geen cent aan de lasten van het huis. Zo is het ook de vraag wie de huishoudkosten (boodschappen, abonnementen, gas/water/lichtnota’s) moet voldoen. In een samenlevingscontract worden al deze consequenties op gewenste wijze geregeld. In combinatie met de aankoop van het huis (tenaamstelling) en de hypothecaire financiering (verdeling lasten en aansprakelijkheid voor de geldschuld) is het opstellen van een samenlevingscontract onmisbaar.

Zonder samenlevingscontract

Als u geen samenlevingscontract heeft gemaakt en u besluit om welke reden dan ook uit elkaar te gaan, dan blijkt het verdelen van de spullen vaak veel problemen op te leveren. Wat privé is, blijft natuurlijk privé. Maar als er onenigheid is of iets privé is, zijn de poppen aan het dansen. Om nog maar te zwijgen van de problemen die ontstaan als er gemeenschappelijke spullen moeten worden verdeeld. Ook van spullen die in de loop der tijd zijn vervangen is het niet altijd duidelijk van wie die vervangende goederen zijn. Bij tegoeden op een bank- of girorekening is uit de tenaamstelling van de rekening meestal wel af te leiden aan wie het tegoed toekomt.

Al deze onzekerheden kunnen voorkomen worden met een goed samenlevingscontract. Alle privé-goederen kunnen op een aan dit contract gehechte lijst (staat van aanbrengsten) worden vermeld, zodat daarover geen onenigheid meer kan ontstaan. Deze lijst kan in de loop der jaren worden aangevuld als privé-goederen moeten worden vervangen of met nieuw aangeschafte goederen worden uitgebreid. De verdeling van de gemeenschappelijke goederen zal in principe in onderling overleg moeten plaatshebben. Als dat niet lukt is taxatie van die goederen een mogelijkheid om via die waardebepaling tot een aanvaardbare verdeling te komen. Krijgt de ene partner meer dan de helft (naar waarde), dan moet hij de ander het meerdere in geld uitbetalen.
Inhoud samenlevingscontract

Vrijwel ieder samenlevingscontract begint met de vaststelling per welke datum de partners zijn gaan samenwonen. Vervolgens kunnen aan de orde komen:

  •     de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;
  •     (bewijs)regels met betrekking tot gemeenschappelijke en privégoederen;
  •     de gemeenschappelijk bank- en girorekeningen;
  •     de gemeenschappelijke woning;
  •     een partnerpensioenregeling;
  •     de regels m.b.t. het einde van de samenwoning;
  •     een verblijvingsbeding;
  •     een staat van aanbrengsten.


Hieronder zal nader worden ingegaan op de gemeenschappelijke woning (en de financiering daarvan) en het verblijvingsbeding (in samenhang met een testament).
De gemeenschappelijke woning

Zoals gezegd is het verstandig een samenlevingscontract op te maken als u ongehuwd samen een huis koopt. Het kopen van een huis schept immers een juridische band die niet één-twee-drie verbroken kan worden. Of je nu ieder voor vijftig procent mede-eigenaar bent, of de een voor zeventig en de ander voor dertig procent maakt daarbij niet uit. Steeds is sprake van gezamenlijke eigendom. Dus de financiële consequenties zijn voor beide partners.

Ook de hypothecaire financiering is dus voor beiden een zorg. Bovendien eist de bank vrijwel altijd dat beiden als hoofdelijk schuldenaren in de hypotheekakte vermeld worden. Zo heeft de bank meer zekerheid dat de schuld kan worden verhaald. Overigens is het belangrijk u dit goed te realiseren als u uit elkaar gaat en een van beiden verhuist. Als u niets met de bank regelt blijf u aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening, ook al heeft u met uw ex-partner afgesproken dat die alleen de hele schuld zal voldoen. De bank is aan zo’n onderlinge afspraak niet gebonden. In een dergelijke situatie moet u aan de bank verzoeken om ‘ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid’. Of de bank daartoe bereid is zal afhangen van de hoogte van de restantschuld en van de financiële draagkracht van degene die bereid is de schuld alleen voor zijn rekening te nemen. In een samenlevingscontract wordt vastgelegd in welke verhouding iedere partner afzonderlijk zal bijdragen aan de financiële verplichtingen die men heeft tegenover de bank. Dit wordt dus niet in de hypotheekakte vastgelegd! Daarom is het verstandig al voordat u een huis koopt over al deze zaken na te denken, en uw wensen grondig te bespreken.

 

Het verblijvingsbeding


Anders dan voor gehuwden kent de wet geen specifieke regels voor samenwoners, noch voor de periode dat zij bij elkaar wonen noch voor het geval dat zij de samenwoning beëindigen. Zo’n einde kan in onderling overleg of met ruzie gepaard gaan, maar ook het overlijden van een van de partners maakt een einde aan het samenleven. Het verblijvingsbeding is een wat vreemde eend in de bijt. Het samenlevingscontract regelt de rechten en verplichtingen tussen de partners tijdens het samenwonen. Door een verblijvingsbeding op te nemen in het samenlevingscontract kunnen de consequenties van het verbreken van de samenwoning worden vastgelegd.

Stel dat één van de partners overlijdt, dan eindigt het samenlevingscontract automatisch. Door het overlijden ontstaat de nalatenschap van de overleden partner. De eerste vraag die moet worden beantwoord is wat tot die nalatenschap behoort. Pas dan kan worden bepaald aan wie de nalatenschap moet toekomen.

Als het samenlevingscontract geen verblijvingsbeding kent, wordt de omvang van de nalatenschap bepaald aan de hand van de (bewijs)regels met betrekking tot gemeenschappelijke en privégoederen in het samenlevingscontract. Ook moet worden bepaald of de hypothecaire schuld geheel of gedeeltelijk vrijvalt omdat een overlijdensrisicoverzekering was afgesloten.

De notaris gaat na wie de erfgenamen van de overleden partner zijn. Het wettelijk erfrecht geeft aan de samenwonende partner geen enkel recht. Erfgenamen volgens de wet zijn de eventuele kinderen van de overledene. En als die er niet zijn, zijn ouders en broers en zusters de erfgenamen. Dit betekent dat het aandeel van de overleden partner in het gemeenschappelijke huis en de inboedel eigendom van diens familie wordt. De langstlevende partner wordt dus plotseling opgezadeld met andere mede-erfgenamen en dus mede-eigenaren. Als de verstandhouding met de ‘schoonfamilie’ goed is en blijft, hoeft dat nog geen probleem te zijn, maar de praktijk is vaak anders. Iedere mede-eigenaar kan namelijk eisen dat de onverdeeldheid wordt opgeheven. Dat betekent vaak dat het huis moet worden verkocht om aan de (financiële) eisen te kunnen voldoen en dat de helft van de inboedel die u samen had uitgezocht, verdwijnt naar de schoonfamilie.

Je kunt deze onzekere gevolgen van het overlijden voorkomen door aan het samenlevingscontract een verblijvingsbeding toe te voegen, al of niet in combinatie met het maken van een testament.

Met een verblijvingsbeding wordt bereikt dat de langstlevende partner het eigendom van het aandeel van de overleden partner in de gemeenschappelijke zaken verkrijgt. Daardoor wordt die langstlevende partner de enige eigenaar van bijvoorbeeld het huis en de inboedel. Het verblijvingsbeding heeft alleen betrekking op gemeenschappelijke zaken. Als de overleden partner ook privégoederen had (bijvoorbeeld uit een erfenis of schenking) worden die niet door de werking van het verblijvingsbeding eigendom van de langstlevende partner. Als dat wel de bedoeling is, moeten de partners naast een samenlevingscontract met een verblijvingsbeding ook testamenten maken.

 

Erfrecht


Per 1 januari 2003 is het erfrecht gewijzigd. De rechten van kinderen worden gerespecteerd tenzij het betreft de echtgenoot of de geregistreerde partner. In de combinatie van een notarieel samenlevingscontract en testamenten kan worden bewerkstelligd dat ook bij samenwoners de langstlevende partner beschermd achterblijft.
13. Schenking
Gerrit en Geertje hebben hun hele leven hard gewerkt en zuinig geleefd. Ze zijn inmiddels in de herfst van hun leven beland en hebben hun eigen woning kort geleden verkocht. Ze huren nu een aanleunwoning. Ze genieten allebei, naast hun AOW, een ouderdomspensioen waarvan ze goed kunnen leven. Door hun zuinige levensstijl en de onverwacht hoge opbrengst van hun woning hebben Gerrit en Geertje op hun oude dag de beschikking gekregen over een aanzienlijk vermogen. Gerrit en Geertje denken erover om een schenking te doen aan hun kinderen.
“warme hand” / “koude hand”

Schenkingen kunnen worden gedaan op verschillende wijzen.

Bij schenken met de “warme hand” wordt het geschonkene direct betaald. Voordeel: géén kosten, noch formaliteiten. Nadeel: de schenker is het geld kwijt ten behoeve van de begiftigde. Dit type schenking heeft strikt genomen geen consequenties voor de inkomstenbelasting. Afhankelijk van de hoogte van de schenking is schenkingsrecht verschuldigd.

Bij schenken met de “koude hand” wordt het geschonkene schuldig erkend. Voor de geldigheid is normaliter een notariële akte vereist. Wil zo’n schenking fiscaal effect hebben bij overlijden dan dient een zakelijke rente te worden bedongen en te worden betaald. Onder de huidige belastingwetgeving is deze rente beperkt aftrekbaar bij de schenker en volledig belast bij de begiftigde. Volgens de Wet op de inkomstenbelasting valt de constructie in box 3. Voor de schenker is het geschonkene aftrekbaar van zijn vermogen en voor de begiftigde geldt dat hij het bij zijn vermogen moet optellen. Voordeel van de constructie is dat de schenker het geld behoudt. Nadeel van de constructie is dat notariskosten zijn verschuldigd en rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor de inkomstenbelasting. Dit laatste speelt met name indien de bedragen hoger worden.
Tarieven en vrijstellingen

Bij het vaststellen van de hoogte van de schenkingen zijn meerdere mogelijkheden denkbaar, afhankelijk van uw “schenkingsruimte”. Bijvoorbeeld schenkingen tot de vrijgestelde bedragen. Per kalenderjaar en per kind is thans een vrijgesteld bedrag mogelijk van € 4.143,00 (jaar 2003). Een andere mogelijkheid is grotere bedragen te schenken. Totdat de kinderen de leeftijd van 35 jaar hebben bereikt, mag éénmalig per kind thans een vrijgesteld bedrag van € 20.711,11 (jaar 2003) worden geschonken. Wordt meer geschonken dan is over het meerdere schenkingsrecht veschuldigd. Het tarief bij schenkingen van ouders aan kinderen begint bij 5% en loopt op tot 27%, afhankelijk van de, grootte van schenking.

Het tarief voor een schenking aan een ouder, broer of zuster begint bij 26% en loopt op tot 53%. Schenkingen aan alle overige verkrijgers zijn belast tegen een tarief dat tussen 41% en 68%. Een uitzondering betreft de schenking aan een instelling met een goed doel. De schenking aan het goede doel is vrijgesteld tot een bedrag van € 4.143,00 en het meerdere is belast tegen een vast tarief van 11%.

Als Gerrit en Geertje geen schenkingen doen, dan zal hun vermogen door de geringe intering grotendeels in stand blijven. Bij hun overlijden zullen de kinderen veel successierecht moeten betalen omdat het tarief oploopt bij hogere verkrijgingen. Om dit te voorkomen kunnen Gerrit en Geertje tijdens hun leven schenkingen aan de kinderen doen. Zij kunnen globaal berekenen hoeveel vermogen zij nodig hebben zolang zij nog leven. De rest van het vermogen is de “schenkingsruimte”. Door dit vermogen verspreid aan de kinderen te schenken over de komende jaren wordt bij overlijden de top uit het successierecht gehaald.
Aangifte-termijnen

Schenkingen door ouders aan kinderen worden per kalenderjaar bij elkaar opgeteld. Na afloop van het kalenderjaar dient binnen 2 maanden de aangifte te worden gedaan. Komt het totaal aan schenkingen boven de vrijstelling dan is schenkingsrecht verschuldigd. Een beroep op de (eenmalig verhoogde) vrijstelling dient te blijken uit de aangifte.
Schenkingen anders dan van ouders aan kinderen worden per 2 jaar bij elkaar opgeteld. Dus niet per 2 kalenderjaren. Indien ook hier het totaal boven de vrijstelling komt is schenkingsrecht verschuldigd en dient binnen 2 maanden een aangifte te worden ingediend.
Bankrekening op naam

Soms komt het voor dat ouders of grootouders ten behoeve van kinderen of kleinkinderen geld apart zetten. Staat die bankrekening op naam van die ouders of grootouders, dan blijven zij de gerechtigden over het geld. Alsdan heeft géén schenking plaatsgevonden. Zo’n bankrekening heft geen finaal gevolg.
Uitsluitend indien de bankrekening op naam van het kind of kleinkind staat heeft een schenking plaatsgevonden. De keerzijde is dat tot de minderjarigheid van het kind de ouders van het kind en bij 18 jaar het kind zelve geld ten laste van die bankrekening kunnen opnemen.

Successiewet van belang voor samenwoners

Tanja en Dirk wonen al tien jaar gelukkig samen. Ze hebben samen zeven jaar geleden een huis gekocht. Tanja en Dirk voelen er niets voor om te gaan trouwen, want de relatie gaat op deze manier prima. Ze vragen zich dan ook af of het wel nodig is dat ze een samenlevingscontract door de notaris laten opmaken. Dirk heeft namelijk in de krant gelezen dat de langstlevende partner dezelfde vrijstelling kan krijgen voor de heffing van successierechten bij overlijden als de langstlevende echtgenoot.
Successiewet

De successiewet heft belasting over hetgeen uit iemands nalatenschap wordt verkregen. Hierbij wordt verschil gemaakt tussen echtgenoten en geregistreerd partners aan de ene kant en ongehuwde samenwoners aan de andere kant. De echtgenoten en geregistreerd partners hebben een zeer ruime vrijstelling van ongeveer € 484.691,– (2003) ongeacht de duur van het huwelijk of partnerschap. Het maken van testamenten voor ongehuwde samenwoners blijft wel van belang, want de ongehuwde samenwoners erven niet van rechtswege van elkaar. Echtgenoten en geregistreerd partners wel.
Wet inkomstenbelasting 2001

Per 1 januari 2001 is de Wet inkomstenbelasting 2001 in werking getreden. In deze wet wordt de ongehuwde samenwonende partner gelijkgesteld met de echtgenoot of geregistreerd partner indien men:

  •     in een kalenderjaar gedurende zes maanden heeft samengewoond;
  •     gedurende deze tijd op hetzelfde adres staat ingeschreven bij de gemeente; en
  •     kiest voor de kwalificatie van partner bij de aangifte Inkomstenbelasting (deze kwalificatie kunnen de samenwoners van jaar tot jaar probleemloos veranderen).

 

 

Voorwaarden vrijstelling successiewet



Per 1 januari 2002 is de successiewet gewijzigd. Een belangrijke wijziging is dat bij het begrip “partner” zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor ongehuwde samenwoners zijn een aantal aanvullende vereisten gesteld:

  •     beide samenwoners dienen na hun 18 e jaar gedurende zes maanden een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd;
  •     als partner mogen niet worden aangemerkt de samenwonende (groot)ouders met (klein)kinderen;
  •     van de samenwoning moet blijken door een notarieel samenlevingscontract;
  •     bij de aangifte Inkomstenbelasting dienen de samenwoners gedurende ten minste vijf jaar voorafgaande aan het overlijden van één van de partners aangemerkt te zijn als partner, zo niet dan geldt de vrijstelling voor de samenwoner niet.


Tanja en Dirk dienen dus een notarieel samenlevingscontract te maken. Zonder zo’n contract verliezen zij in beginsel de grote vrijstelling! Daarnaast kunnen in een samenlevingscontract regelingen worden getroffen voor bijvoorbeeld partnerpensioen en verblijvingsbeding.

Indien de ongehuwde samenwoners niet voldoen aan de vorenstaande eisen dan geldt een andere regeling. Indien ongehuwde samenwoners minder dan twee jaar samenwonen is de vrijstelling vrijwel nihil. Daarna loopt de vrijstelling in de drie opvolgende jaren op. Pas nadat de ongehuwde samenwoners vijf jaar een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd geldt voor hen dezelfde vrijstelling als voor gehuwden en geregistreerd partners.
15. Testament
Eindelijk hadden David en Inge het huis van hun dromen gevonden. Van de notaris kregen zij ontwerpen van de akten met de afrekening. Zodoende konden de teksten nog door hen worden gecontroleerd. De uitleg van de akten door de notaris was verhelderend. Na de ondertekening en de overhandiging van de sleutels werd de notaris wat somber. Hadden David en Inge al aan testamenten gedacht? Helaas niet. Wat zouden de gevolgen zijn?
Algehele gemeenschap van goederen

Bij afwezigheid van huwelijkse voorwaarden is een echtpaar in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Behoudens enkele uitzonderingen is het totale vermogen gemeenschappelijk. Bij overlijden is de helft van dat totale vermogen de nalatenschap. Anders gezegd: indien om de eettafel zes stoelen staan dan vallen drie stoelen in de nalatenschap.
Wettelijk erfrecht

Met ingang van 1 januari 2003 is het erfrecht gemoderniseerd. Volgens de ‘wettelijke verdeling’ komt de hele nalatenschap van David nu aan Inge toe. Zij krijgt alles wat tot Davids erfenis behoort, inclusief eventuele schulden. In haar geval betekent dit dat zij het huis niet hoeft te verkopen om de kinderen hun erfdeel uit te keren.

De kinderen krijgen een vordering op hun moeder ter grootte van hun erfdeel. Dat wil zeggen dat het erfdeel van hun vader pas wordt uitgekeerd als hun moeder dat zelf ook wil of nadat hun moeder is overleden. Een rentevergoeding vindt plaats als de inflatiegevolgen moeten worden gecorrigeerd. Maar ook deze rente wordt pas betaald nadat hun moeder is overleden.

De kinderen hebben geen wettelijk recht meer op directe uitkering van hun erfdeel. Inge kan wel het erfdeel aan de kinderen uitbetalen als zij dat zelf wil. Als Inge de wettelijke verdeling niet wenst, kan zij deze binnen drie maanden na het overlijden van David bij de notaris ongedaan maken. In dat geval moet zij samen met de kinderen de nalatenschap van David verdelen.
Waarom nog een testament?

In een testament kunnen ook andere kwesties worden geregeld. Zo kan voor het geval beide ouders zijn overleden een of twee voogden worden aangewezen. Voorts kan worden bepaald dat hetgeen de kinderen erven slechts van hen is en niet gedeeltelijk van hun toekomstige partners.

Verklaring van erfrecht

Jan is overleden. Hij heeft zijn vrouw Sandra en drie meerderjarige kinderen achtergelaten. Sandra is druk bezig geweest met het regelen van de uitvaart voor Jan. Als Sandra enkele weken later bij de bank komt, merkt zij dat de bank de bankrekeningen van Jan geblokkeerd heeft. De bankmedewerker heeft Sandra verteld dat ze bij de notaris de Verklaring van Erfrecht moet gaan halen.
Waarom is de Verklaring van Erfrecht nodig?

Zodra de bank op de hoogte is van het overlijden van Jan worden de rekeningen op naam van Jan geblokkeerd. De “en/of rekening” wordt bij de bank vaak niet geblokkeerd.

Met de Verklaring van Erfrecht kan de erfgenaam of de gevolmachtigde van alle erfgenamen naar de bank gaan om de bankrekening te deblokkeren. Tevens kunnen verzekeringssommen worden geïnd en kunnen rekeningen worden betaald. De werking van de Verklaring van Erfrecht is zo omvangrijk dat men eventueel kan komen tot een volledige afwikkeling van de nalatenschap. Dit is vaak het geval bij een kleine nalatenschap of bij een nalatenschap waarin geen eigen woning is betrokken.
Wat is de Verklaring van Erfrecht?

De Verklaring van Erfrecht is in de rechtspraktijk ontwikkeld om na Jans overlijden zoveel mogelijk duidelijkheid te krijgen wie zijn erfgenamen zijn. Hiervoor moet de notaris een onderzoek doen, waarvan een akte wordt opgemaakt: de Verklaring van Erfrecht .

De notaris raadpleegt hiervoor het Centraal Testamentenregister in Den Haag. Het Centraal Testamentenregister geeft alleen aan op welke datum en voor welke notaris het testament van Jan is verleden, maar zegt niets over de inhoud van een testament.

Vervolgens zal de notaris inlichtingen inwinnen bij de Gemeentelijke Basisadministratie om de persoonsgegevens van Jan te controleren en om na te gaan wie de echtgenote van Jan is en wie zijn kinderen zijn.

In de Verklaring van Erfrecht worden de erfgenamen met alle persoonsgegevens genoemd. Tevens kan één van de erfgenamen worden aangewezen als gevolmachtigde om mede namens de andere erfgenamen de nalatenschap af te wikkelen. Het ligt voor de hand dat Sandra gevolmachtigde wordt van haar kinderen. Hiermee wordt voorkomen dat Sandra voor alle (rechts)handelingen de medewerking van haar kinderen nodig heeft.

De Verklaring van Erfrecht wordt door de notaris ondertekend en voorzien van een ambtsstempel.

Welke stukken dient u mee te nemen voor de Verklaring van Erfrecht?

  •     het overlijdensbewijs;
  •     een geldig legitimatiebewijs, bij voorkeur een paspoort;
  •     het trouwboekje;
  •     huwelijkse voorwaarden; partnerschapsvoorwaarden of een samenlevingscontract (indien aanwezig en van toepassing);
  •     de volledige namen; adressen en geboortedata van ouders, kinderen, broers, zusters of overige erfgenamen;
  •     eventueel testament;
  •     eventueel eigendomsbewijs van de woning en hypotheekakte.

Voogdij

De Nederlandse bevolking telt 3,5 miljoen kinderen. De meesten hebben ouders. Helaas zijn er ook kinderen die geen ouders hebben. Gelukkig staat een kind er nooit écht alleen voor. Kinderen zonder ouders kunnen in Nederland altijd terugvallen op een voogd. In Nederland leven momenteel 9000 kinderen die geen ouder(s), maar een voogd hebben.
Gezag

Kinderen staan te allen tijde onder gezag; er is altijd een persoon of instantie die verantwoordelijk is voor hun verzorging en opvoeding. Meestal zijn dat beide ouders. Maar het kan ook om één ouder gaan, bijvoorbeeld in geval van scheiding of overlijden. Er zijn helaas situaties dat er geen ouder beschikbaar is om het ouderlijk gezag te dragen. Natuurlijk is dat het geval als beide ouders zijn overleden, maar ook als ouders uit het ouderlijk gezag zijn ontheven, omdat zij de opvoeding van hun kind niet aankunnen.

De rechter draagt het ouderlijk gezag dan over aan een voogd: een persoon of instantie die de verantwoordelijkheid van de ouder overneemt. Zo’n voogd wordt in overleg met de familie aangesteld. Kinderen vanaf twaalf jaar worden in dat overleg betrokken.

Tot 2 november 1995 was het verplicht ook een toeziend voogd aan te stellen. Deze zag erop toe dat de voogd op een goede manier het vermogen van het kind beheerde. De aanstelling van deze toeziend voogd is afgeschaft.
Wie kan er voogd worden?

In theorie kan vrijwel iedereen voogd worden. Wel geldt een minimumleeftijd van achttien jaar. Vanzelfsprekend kan iemand die onder curatele staat of een geestelijke stoornis heeft geen voogd worden

Als in de familie- of vriendenkring geen voogd wordt gevonden, zal uiteindelijk een voogdijstichting tot voogd worden benoemd. Maar dit gebeurt pas als geen andere oplossing denkbaar is. Om te voorkomen dat na het overlijden van ouders de rechter op zoek moet naar een voogd voor de achterblijvende kinderen, kan een testament uitkomst bieden. Ouders laten hierin vastleggen wie bij hun overlijden de voogd over hun kind(eren) wordt. Dat kan veel onduidelijkheid voorkomen.

Overigens wordt een aangewezen voogd pas met de voogdij belast als er verder niemand meer is die het ouderlijk gezag heeft. Een niet-ouder, die samen met de ouder het gezag over een kind voert, wordt automatisch voogd als de ouder overlijdt. De bij testament aangewezen voogd blijft buiten beeld.
Aanvaarding voogdijschap

De persoon die in een testament wordt aangewezen als voogd, is niet verplicht deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Je kunt een benoeming als voogd weigeren. In overleg met de familie en de kinderen zoekt de rechter dan alsnog naar een nieuwe voogd. De vraag of iemand voogd wil worden via een testament wordt dan ook juridisch bezien pas gesteld wanneer het zover is.

Alleen de natuurlijke ouders en de rechter kunnen een voogd aanwijzen. Een niet-ouder die samen met een ouder het ouderlijk gezag heeft, kan geen voogd aanwijzen. Ook een voogd kan niet voor zijn opvolging zorgen. Dat moet de rechter doen.

De voogdij over een kind houdt op zodra het kind de achttienjarige leeftijd bereikt en dus volwassen is. Als het kind trouwt vóór het achttiende jaar, eindigt eveneens het voogdijschap. Wel moet de voogd dan eerst zelf toestemming hebben gegeven voor het huwelijk.

 

Voogdij en testament

Voor ouders met minderjarige kinderen is het belangrijk om stil te staan bij het feit hoe de regels omtrent het gezag over de kinderen luiden. Hierbij speelt bijvoorbeeld de vraag wie voor de kinderen zorgt als beide ouders zijn overleden.
Gezamenlijk gezag door gehuwden

Binnen het huwelijk oefenen de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Overlijdt één van hen, dan blijft de langstlevende automatisch belast met het ouderlijk gezag. Blijft deze als enige belast met het ouderlijk gezag en overlijdt vervolgens deze laatste ouder dan benoemt de kantonrechter een voogd over de kinderen, tenzij die ouder in een testament al een voogd heeft benoemd. Dit zelfde gebeurt als beide ouders tegelijk of vlak na elkaar overlijden.
Gezag ongehuwde ouders

Een ongehuwde moeder die meerderjarig is als haar kind wordt geboren, oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over haar kind uit. Als ongehuwde ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag willen krijgen moeten zij gezamenlijk een verzoek tot aantekening hiervan in het gezagsregister indienen bij de griffie van het kantongerecht. Hetzelfde is van toepassing op ouders die zich hebben laten registreren als partners bij de Burgerlijke Stand.
Echtscheiding

Na echtscheiding blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben in principe dit gezamenlijk gezag uitoefenen. Iedere ouder kan de rechtbank verzoeken het gezag over een kind aan één van hen toe te kennen. Het belang van het kind is hierbij het enige criterium waaraan dit verzoek wordt getoetst.

Voogdij

Er is sprake van voogdij zodra een ander dan de ouders, alleen of tezamen met een andere derde, het gezag over een minderjarig kind uitoefent. Een voogd alleen heeft geen onderhoudsplicht ten opzichte van het kind; zijn er twee voogden dan zijn zij tevens onderhoudsplichtig jegens het kind. De voogdij kan ook worden uitgeoefend door een rechtspersoon. De voogdijbenoeming geschiedt in principe door de kantonrechter.
Testamentaire voogdij

Door een voogdbenoeming in een testament is in beginsel bepaald bij wie het kind terecht moet komen. De benoeming door de ouders heeft alleen gevolgen als zij beiden niet meer in leven zijn. Als één van beiden sterft, behoudt de overblijvende ouder immers van rechtswege het ouderlijk gezag.

De aangewezen voogd beslist pas na het overlijden of hij de aanwijzing aanvaardt. Het is wel belangrijk om van tijd tot tijd na te gaan of de door u aangewezen voogd nog wel bereid en geschikt is om zo nodig de voogdij uit te oefenen. Is dat niet het geval, dan zal de aanwijzing herroepen moeten worden en een ander als voogd worden aangewezen.
Gezamenlijke voogdij

Een persoon die met de voogdij is belast kan de rechter verzoeken een ander naast hem tot voogd te benoemen. Voorwaarde is dat de voogd en de ander beiden verzoeken om gezamenlijk met de voogdij belast te worden. De ander die tezamen met de voogd de voogdij wil gaan uitoefenen, moet een nauwe persoonlijk band met het kind hebben. Afwijzing van het verzoek vindt slechts plaats als er gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind worden verwaarloosd. Na toekenning van het verzoek zijn beiden voogd en hebben zij ieder de plicht en het recht om zelf de minderjarige te verzorgen en op te voeden.

Vruchtgebruik woning

In 1989 had moeder overleg met haar fiscaal adviseur omtrent overheveling van vermogen aan de kinderen. Na bespreking was besloten de woning onder voorbehoud van vruchtgebruik aan de kinderen over te dragen. Door het vruchtgebruik kon moeder in de woning blijven. Tegen het nadeel van de overdrachtsbelasting zou een eventuele hogere besparing van successierecht staan. Wat zijn de gevolgen van de gekozen constructie voor de inkomstenbelasting in verband met de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2001?

Vermogensoverheveling

Bij overlijden wordt successierecht geheven bij de verkrijger. De hoogte van het successierecht hangt progressief af van de hoogte van de verkrijging en de relatie tussen de erflater en de verkrijger. Hetzelfde tarief en berekeningswijze is globaal ook van toepassing voor het schenkingsrecht. Door tijdens leven te schenken wordt formeel de verkrijging over meerdere verkrijgingen uitgesmeerd. Hiermee wordt de progressie van het tarief vermeden en wordt optimaal gebruik gemaakt van de vrijstellingen.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid vermogen onder voorbehoud van vruchtgebruik over te dragen. De vruchtgebruiker behoudt het genot zodat feitelijk weinig verandert. Door het vruchtgebruik vindt fiscaal een belastingvrije afwaardering plaats hetgeen tot besparing van successierecht kan leiden. Van belang is dat het vruchtgebruik eerder dan door het overlijden beëindigt, bijvoorbeeld door het verlaten van de woning wegens opname in een verzorgingstehuis. Tegenover de eventuele besparing van successierecht staat het nadeel van overdrachtsbelasting.

Oude belastingwetgeving

Onder de fiscale wetgeving tot 1 januari 2001 bleef de vruchtgebruiker de woning als eigen woning opgeven voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting. Tegenover het huurwaardeforfait stond de hypotheekrenteaftrek. Voor de vermogensbelasting behoefde de vruchtgebruiker slechts een gedeelte van de waarde op te geven. De kinderen ondervonden voor de inkomstenbelasting noch voor de vermogensbelasting enig nadeel. Als waarde mocht worden genomen de zogeheten WOZ-waarde.
Inkomstenbelasting 2001

In de wetgeving per 1 januari 2001 wordt de eigen woning gedefinieerd als woning krachtens eigendom of krachtens vruchtgebruik door erfrecht. Is het genot van de woning op een andere grond gebaseerd dan is thans in fiscale zin géén sprake meer van een “eigen woning”. Als voorbeeld valt te noemen de overdracht van de woning tijdens leven onder voorbehoud van vruchtgebruik zoals hiervoor gemeld.

Het gevolg van een vruchtgebruik op de woning niet krachtens erfrecht is dat de hypotheekrente niet meer aftrekbaar is. Voorts worden de vruchtgebruiker én de kinderen als bloot eigenaar beiden in box 3 voor de waarde in het economisch verkeer belast. De WOZ-waarde is alsdan niet van belang.
Reparatie

De wetswijziging kan nadelen voor de inkomstenbelasting meebrengen die groter zijn dan het eventuele voordeel van besparing van successierecht in de toekomst. Deze nadelige gevolgen van de wetswijziging zijn te herstellen doordat ofwel het vruchtgebruik wordt omgezet in een huurrecht danwel de vruchtgebruiker de blote eigendom van de kinderen terugkoopt. In beide gevallen is (wederom) overdrachtsbelasting verschuldigd en ondergaan de financiële verhoudingen een wijziging. Het advies is uit te rekenen welke situatie voor de inkomstenbelasting en het successierecht de voordeligste oplossing is.

Vruchtgebruiktestament en inkomstenbelasting

Per 1 januari 2001 is de Wet op de inkomstenbelasting ingrijpend gewijzigd. Onder de huidige Wet op de inkomstenbelasting kan een vruchtgebruiktestament nadelige gevolgen hebben ten aanzien van de eigen woning.
Oude Inkomstenbelasting

In het verleden werd vaak voor de bescherming van de langstlevende echtgenoot een vruchtgebruiktestament gemaakt. Het oude inkomstenbelastingstelsel sloot hier op aan.

Stel: Jan en Sandra waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Dit betekent dat de helft van hun gezamenlijke vermogen de nalatenschap van Jan is; de andere helft is van Sandra vanwege het huwelijk. Volgens het testament van Jan zijn Sandra en de drie kinderen de erfgenamen, ieder voor 1/4 e gedeelte van de nalatenschap.

Conclusie: na het overlijden is 5/8 e gedeelte van het totale vermogen van Sandra (ook bekend als “de helft en een kindsdeel”). De kinderen erven ieder 1/8 e gedeelte van het totale vermogen belast met een vruchtgebruik ten behoeve van Sandra. Ten aanzien van de woning is de helft en een kindsdeel (= 5/8 gedeelte) volle eigendom van Sandra. De kinderen hebben van de woning ieder 1/8 gedeelte in (blote) eigendom waarvan Sandra het vruchtgebruik heeft.

Volgens de oude inkomstenbelasting was alleen op Sandra de eigen woningregeling van toepassing. Bij haar inkomen werd het zogeheten huurwaardeforfait opgeteld. Dit huurwaardeforfait bedraagt in de meeste gevallen 1,25% van de WOZ-waarde van de woning. Aftrekbaar zijn renten van hypothecaire schulden. De kinderen hoefden in de oude situatie geen inkomstenbelasting noch vermogensbelasting over hun gedeelte van de woning te betalen.
Huidige Inkomstenbelasting

Onder de werking van de huidige Inkomstenbelastingstelsel kan een vruchtgebruiktestament nadelige gevolgen hebben ten aanzien van de eigen woning. In het huidige belastingstelsel moeten zowel Sandra als de kinderen inkomstenbelasting betalen over de woning.

Sandra wordt voor wat betreft de woning belast in box 1. Op de gehele WOZ-waarde van de woning wordt ten aanzien van Sandra het eigenwoningforfait toegepast. Het vruchtgebruik leidt niet tot een korting. De kinderen worden voor wat betreft hun aandeel in de woning belast in box 3. In box 3 wordt ieder overig vermogen belast tegen een netto-tarief van 1,2% over de waarde. Voor wat betreft de waarde geldt niet de WOZ-waarde maar de vrije verkoopwaarde waarbij rekening gehouden wordt met het vruchtgebruik van Sandra.

Samenvattend: zowel de kinderen als Sandra moeten over de woning inkomstenbelasting betalen met als gevolg dat de woning in de huidige Inkomstenbelasting relatief zwaarder wordt belast dan in het oude stelsel. Er zijn overigens voorstellen om deze “over kill” aan belastingheffing bij een vruchtgebruiktestament weg te nemen doch thans bestaat daarover geen zekerheid.
Advies

In het algemeen is het aan te raden iedere vijf jaar te bezien of uw testament nog “up to date” is. Zoals het er nu naar uitziet, pakt een vruchtgebruiktestament voor veel mensen onder het huidige belastingstelsel nadelig uit. Indien u zo’n testament heeft is het verstandig dit testament te herzien.

Wie krijgt uw erfenis als u overlijdt zonder testament?

Op 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht in werking getreden.
Ook het schenkingsrecht is aangepast. In deze reeks folders, verkrijgbaar bij uw notariskantoor, leest u wat er in het nieuwe erf- en schenkingsrecht is veranderd en welke gevolgen dat heeft voor u of uw nabestaanden.

Deze reeks bevat informatie over de volgende onderwerpen:

  •     de positie van de echtgenoot* en de kinderen na uw overlijden
  •     wilsrechten
  •     wettelijke rechten van de echtgenoot
  •     stiefkinderen
  •     legitieme portie
  •     executeur
  •     schenking en verblijvingsbeding


* Met ‘echtgenoot’ wordt diegene bedoeld met wie u bent gehuwd en van wie u niet (van tafel of bed) bent gescheiden. Ook geregistreerde partners vallen onder het begrip ‘echtgenoot’. Met het woord ‘echtgenoot’ wordt in deze brochure ook ‘echtgenote’ bedoeld.
22. ERFRECHT PER 1 JANUARI 2003
Situatie vroeger

Daan Jutkens is 55. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd en heeft drie kinderen. Zijn hypotheek is afbetaald en op zijn 58e kan hij met vervroegd pensioen. Op een zomerse zaterdag botst een vrachtwagen frontaal tegen zijn auto. Daan overlijdt plotseling.
Daan Jutkens had geen testament. Vanwege de gemeenschap behoort de helft van het vermogen aan de vrouw. De andere helft vormt zijn nalatenschap. Die moet worden verdeeld tussen de vrouw en de kinderen.
De kinderen – die alle drie op eigen benen staan – eisen hun erfdeel op. Hun moeder moet het huis verkopen, om de erfdelen aan de kinderen te kunnen uitkeren. Ze heeft geen eigen inkomen. Met haar deel van de erfenis kan ze net een kleine flat betalen.


Situatie nu

Ook in de nieuwe situatie hebben Daans vrouw en kinderen recht op hun deel van de erfenis volgens de bovenstaande ‘oude verdeelsleutel’. Volgens de ‘wettelijke verdeling’ komt de hele nalatenschap van Daan nu aan zijn vrouw toe. Zij krijgt alles wat tot Daans erfenis behoort, inclusief eventuele schulden. In haar geval betekent dit dat zij het huis niet hoeft te verkopen om de kinderen hun erfdeel uit te keren.

In de nieuwe situatie krijgen de kinderen een vordering op hun moeder ter grootte van hun erfdeel. Dat wil zeggen dat het erfdeel van hun vader pas wordt uitgekeerd als hun moeder dat zelf ook wil of nadat hun moeder is overleden. Een rentevergoeding vindt plaats als de inflatiegevolgen moeten worden gecorrigeerd. Maar ook deze rente wordt pas betaald nadat hun moeder is overleden.

Het grote verschil is dus dat de kinderen geen wettelijk recht meer hebben op directe uitkering van hun erfdeel. Hun moeder kan wel het erfdeel aan de kinderen uitbetalen als zij dat zelf wil. Als moeder de wettelijke verdeling niet wenst, kan zij deze binnen drie maanden na het overlijden van haar man bij de notaris ongedaan maken. In dat geval moet zij samen met de kinderen de nalatenschap van Daan verdelen.
Waarom de verandering?

De gedachte achter de wettelijke verdeling is ervoor zorg te dragen dat op deze manier de overgebleven echtgenoot materieel zoveel mogelijk op dezelfde manier kan doorleven. De pijnlijke situatie van kinderen die hun erfdeel opeisen wordt daarmee vermeden.
Wat kunt u doen?

Het nieuwe systeem van de wettelijke verdeling is gebaseerd op het zogenoemde versterf-erfrecht zoals dat wordt geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Het erfrecht omvat een basisverzorging voor de langstlevende echtgenoot.  Aanvullende regelingen zoals voogdij blijven óók onder het gewijzigde erfrecht spelen.

(bron: www.notaris.nl aangepast)

Wat zijn wilsrechten van kinderen?

Als iemand bij zijn overlijden een echtgenoot en kinderen nalaat zonder dat er een testament is gemaakt, blijven volgens het huidige erfrecht alle goederen die samen de nalatenschap vormen bij de overgebleven echtgenoot (zie ook Nieuwsbrief nummer 1). De kinderen krijgen een geldvordering op deze echtgenoot ter grootte van hun erfdeel. Zij kunnen het geld pas opeisen bij het overlijden van de overgebleven echtgenoot. Het wettelijk erfrecht wijkt af als de overgebleven ouder hetzij een stiefouder is hetzij een eigen ouder is, die hertrouwd is met een nieuwe partner. Als de kans bestaat dat goederen naar de stieffamilie gaan, kan een kind beroep doen op zogenaamde aanvullende voorzieningen waardoor de positie van het kind wordt versterkt.
Deze aanvullende voorzieningen worden wilsrechten genoemd. Door de wilsrechten hebben de kinderen uitzicht op de goederen, ook als er sprake is van stieffamilie. Zo kan een kast of een klok met speciale gevoelswaarde, een “echt familiestuk”, toch binnen de familie blijven. De kinderen kunnen hiervan gebruik maken maar hoeven dat niet.
Twee situaties zijn mogelijk:

  1. De kinderen zijn geen eigen kinderen van de overgebleven echtgenoot (stiefouder).
  2. De kinderen zijn ook kinderen van de overgebleven echtgenoot (ouder).

 

Het eerste geval:

Stel dat een ouder overlijdt, dan kan ieder van de kinderen verlangen van de overgebleven echtgenoot (stiefouder) dat goederen aan hem in eigendom worden overgedragen, ter waarde van de geldvordering. Wel kan de overgebleven stiefouder zich het vruchtgebruik van die goederen voorbehouden.

Als de kinderen geen gebruik van dit wilsrecht hebben gemaakt, kunnen zij dit alsnog doen bij het overlijden van de overgebleven stiefouder. Zij kunnen namelijk verlangen dat hun geldvordering in goederen wordt voldaan.


Het tweede geval:

    Als de overgebleven echtgenoot (ouder) hertrouwt, kan ieder van de kinderen verlangen dat goederen aan hem in eigendom worden overgedragen, ter waarde van de geldvordering. Ook in dit geval kan de overgebleven ouder zich het vruchtgebruik van die goederen voorbehouden.
    Als de overgebleven echtgenoot (ouder), die hertrouwd is, komt te overlijden vóór zijn nieuwe partner, en de kinderen tot dan toe geen wilsrecht hadden uitgeoefend, kunnen zij dit alsnog doen. Zij kunnen namelijk goederen opeisen ter betaling van hun geldvordering.

(bron: www.notaris.nl/nieuws/nieuwerfrecht.html aangepast)

 

Wat zijn de wettelijke rechten van de echtgenoot?

Alle goederen die samen de erfenis vormen blijven bij de overgebleven echtgenoot. Tenminste, wanneer iemand bij overlijden een echtgenoot en kinderen nalaat.

Kortom: de verzorgingsgedachte die bij veel mensen leeft, komt in het erfrecht expliciet tot uitdrukking. Dat geldt niet alleen voor de situatie waarin er geen testament is gemaakt, maar ook als juist wel bij testament van de wet is afgeweken.


Een voorbeeld:


Onder het huidige erfrecht kan een echtgenoot in een testament worden onterfd. Maar: een onterfde echtgenoot kan hiertegen wél iets ondernemen, omdat aan een onterfde echtgenoot drie wettelijke rechten zijn toegekend.

Dit betekent dat een onterfde echtgenoot, wanneer hij daarom vraagt:

  •     recht heeft op een voortgezet gebruik van woning en inboedel voor een periode van 6 maanden;
  •     recht heeft op een vruchtgebruik* van de woning en inboedel, althans voorzover nodig voor de verzorging;
  •     recht heeft op een vruchtgebruik* van andere goederen dan woning en inboedel, althans voorzover door de echtgenoot aannemelijk is gemaakt dat er behoefte is aan verzorging.


* Vruchtgebruik houdt bijvoorbeeld in dat de overblijvende echtgenoot als het om een woning en inboedel gaat recht heeft op het gebruik daarvan of wanneer sprake is van een bankrekening op de rente daarvan.

Het wettelijk systeem

Volgens het erfrecht komen alle goederen van de overledene toe aan zijn echtgenoot en krijgen de kinderen een vordering op de langstlevende echtgenoot ter grootte van hun erfdeel. Deze vordering wordt in beginsel pas uitbetaald, als de langstlevende zelf overlijdt. Dit systeem heet de wettelijke verdeling.

 

Wat kunt u regelen ten behoeve van de kinderen van uw echtgenoot?

Het erfrecht zorgt er voor, dat de erfenis van de overleden echtgenoot wordt verdeeld tussen de overgebleven echtgenoot en de kinderen van de overledene. Meestal zijn dit de kinderen die geboren zijn uit het huwelijk van beide echtgenoten. Maar het kan ook zijn dat de overgebleven echtgenoot, de langstlevende dus, kinderen heeft uit een eerdere relatie. Veel mensen hebben de behoefte om ook voor deze kinderen, de stiefkinderen van de overledene, iets te regelen.

Thans kunnen de stiefkinderen van de overledene ook in de wettelijke verdeling worden betrokken. Dat kan door bij leven een testament op te maken waarin dit wordt vastgelegd. Wanneer zo’n testament is opgemaakt, krijgen de stiefkinderen een vordering op de overgebleven echtgenoot ter grootte van hun erfdeel. En net als de eigen kinderen kunnen ook de stiefkinderen wilsrechten uitoefenen (zie nieuwsbrief nieuw erfrecht deel 2).

Een voorbeeld


Daan Jutkens en zijn vrouw hebben samen drie kinderen. Mevrouw Jutkens had al een dochter uit een eerdere relatie op het moment dat zij in het huwelijk trad met Daan. De dochter van mevrouw Jutkens is samen met de kinderen uit het huwelijk van Daan en zijn vrouw opgegroeid.
Omdat Daan de dochter van zijn vrouw altijd heeft beschouwd als zijn eigen dochter, heeft hij bij de notaris een testament opgemaakt. Zijn stiefdochter heeft hij in de wettelijke verdeling betrokken, zodat zij meedeelt in zijn nalatenschap alsof zij zijn eigen dochter is.
Op het moment dat Daan plotseling overlijdt en zijn testament in werking treedt, ontvangt zijn vrouw alle goederen die samen de nalatenschap vormen. Zijn drie kinderen en zijn stiefdochter krijgen een vordering op hun moeder, mevrouw Jutkens, ter grootte van het een/vijfde deel van de erfenis.

Wat is een legitieme portie?

Hoe was het toen?

(Klein)kinderen van een overledene hadden altijd recht op een gedeelte van het vermogen van de overledene. Dit werd de legitieme portie genoemd. De grootte van de legitieme portie hing af van het aantal kinderen: bij één kind was het de helft van wat het kind zou erven als er geen testament zou zijn gemaakt; bij twee kinderen was dat twee/derde deel en bij drie kinderen drie/vierde deel. Bij de berekening van de legitieme portie werd ook rekening gehouden met wat de overledene tijdens zijn leven had geschonken. Als een kind was onterfd en zijn legitieme portie opeiste, werd het kind mede-erfgenaam: het kind had recht op goederen van de nalatenschap en moest bij de verdeling daarvan betrokken worden.
Hoe is het nu?

(Klein)kinderen van een overledene houden een legitieme portie. Maar de grootte verandert: deze bedraagt altijd de helft van wat het kind zou hebben geërfd als geen testament was gemaakt. Verder hoeven voor de berekening van de legitieme portie niet meer alle schenkingen te worden meegenomen. Een onterfd kind dat zijn legitieme portie opeist, wordt geen erfgenaam meer. Het heeft dus geen recht op goederen van de nalatenschap en hoeft niet mee te werken aan de verdeling. Het kind heeft alleen recht op een bepaalde som geld. Een kind kan zijn legitieme portie in beginsel 6 maanden na het overlijden opeisen. Maar het is mogelijk in een testament een bepaling op te nemen dat de legitieme portie pas opeisbaar is bij het overlijden van de echtgenoot of levensgezel van de erflater.
Een voorbeeld:

Daan Jutkens en zijn vrouw hebben samen drie kinderen. Enkele jaren na de geboorte van de jongste gaan Daan en zijn vrouw scheiden en hertrouwt Daan met een andere vrouw. In de loop der jaren heeft Daan elk contact met zijn kinderen verloren. Daan maakt een testament en benoemt zijn tweede vrouw tot zijn enige erfgename. Verder bepaalt hij dat als zijn kinderen een beroep op hun legitieme portie doen, zij hun geld pas kunnen opeisen bij het overlijden van zijn tweede vrouw. Daan overlijdt en zijn nalatenschap bedraagt € 200.000,-. De legitieme portie van ieder kind bedraagt de helft van het deel dat ieder van hen zou erven als geen testament gemaakt was (in geval van een echtgenote en 3 kinderen dus 1/4de deel): 1/2 x 1/4 x € 200.000,- = € 25.000,-. De kinderen kunnen bij elkaar € 75.000,- opeisen na het overlijden van Daans tweede vrouw.

Wat is een executeur?

 


Hoe was het toen?

Een executeur-testamentair werd benoemd bij testament of codicil (= een zelfgeschreven, gedateerd en ondertekend stuk). Hij had als taak iemands nalatenschap af te wikkelen samen met de erfgenamen. Dat begon al met het regelen van de begrafenis of crematie. Verder moest hij de rekeningen betalen, legaten uitkeren en zorgen dat de successieaangifte werd ingediend en de successierechten werden voldaan. Successierechten (een belasting) zijn verschuldigd als iemand iets krijgt uit een nalatenschap. Een executeur-testamentair kon een buitenstaander zijn, bijvoorbeeld een vriend van de erflater, maar kon ook een van de erfgenamen zijn. Als zich onder de erfgenamen legitimarissen bevonden (dit zijn de kinderen van erflater, zij hebben altijd recht op een deel van het vermogen van hun ouder; zie ook Nieuwsbrief 5), dan moesten de legitimarissen akkoord gaan met de executeursbenoeming. Als beloning had de executeur-testamentair recht op 2,5% van de ontvangsten en 1,5% van de uitgaven. Maar de erflater mocht hiervan afwijken en bijvoorbeeld een bepaald bedrag vaststellen. Als de nalatenschap was afgewikkeld, moest de executeur-testamentair rekening en verantwoording afleggen aan de erfgenamen. Deze konden vervolgens de nalatenschap verdelen.
Hoe is het nu?

De term executeur-testamentair vervalt, de wet spreekt kortweg over executeur. Verder vervalt de mogelijkheid om een executeur bij codicil te benoemen. Dit kan alleen nog maar in een testament worden vastgelegd. Wel blijft de benoeming van een executeur in een codicil, dat is opgemaakt vóór de invoeringsdatum van het nieuwe erfrecht, geldig. Legitimarissen zullen zich niet meer kunnen verzetten tegen een executeursbenoeming en moeten dus accepteren dat de executeur allerlei zaken betreffende het overlijden en de nalatenschap regelt. Het wettelijk loon verandert: het wordt 1% van de waarde van het vermogen van de erflater op de sterfdatum. De erflater behoudt de mogelijkheid bij testament hiervan af te wijken en een bepaald bedrag vast te stellen.
Executeur/Afwikkelingsbewindvoerder

De huidige wet stelt de bevoegdheden van de executeur duidelijk vast: hij moet de nalatenschap beheren, schulden betalen, legaten uitkeren en successierechten voldoen. Om hiervoor aan geld te komen mag hij goederen van de nalatenschap verkopen. Als een erflater de executeur meer bevoegdheden wil geven, dan kan dat door middel van een zogenaamd afwikkelingsbewind. Een executeur/afwikkelingsbewindvoerder is niet alleen belast met de taak om de nalatenschap te beheren en de schulden te voldoen, maar ook om alle goederen te verkopen en de nalatenschap te verdelen tussen de erfgenamen.


Wat kunt u doen?

Het huidige systeem van de wettelijke verdeling is gebaseerd op het zogenoemde versterferfrecht, zoals dat wordt geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Het erfrecht omvat dan een basisverzorging voor de langstlevende. Stelt u prijs op nadere informatie of wilt u het anders geregeld hebben (u wenst bijvoorbeeld wijziging van het rentepercentage) dan kunt u een testament laten opmaken. Uw notaris geeft u hierover graag advies.
29. Erfrecht en nationaliteit
Inleiding

Ieder land heeft zijn eigen regels van erfrecht. Bij meerdere nationaliteiten is het daarom van belang te weten welk recht van toepassing is op de vererving van het vermogen. Dat is ook van belang indien een testament wordt opgemaakt. Op 1 oktober 1996 trad in Nederland het Erfrechtverdrag in werking, welk verdrag regelt welk recht van toepassing is op de erfopvolging. In dit verdrag worden voorschriften gegeven die in internationale gevallen bepalen van welk land het erfrecht geldt.
Erfrechtverdrag

Als géén rechtskeuze is gemaakt of als de gemaakte rechtskeuze ongeldig blijkt te zijn, bepalen de regels van het Erfrechtverdrag welk recht op de nalatenschap van toepassing is. Daarbij worden twee situaties onderscheiden:

1. De erflater heeft op het moment van overlijden zijn gewone verblijfplaats in het land van zijn nationaliteit. In dit geval is direct duidelijk welk erfrecht geldt. De regel van de gewone verblijfplaats en de nationaliteitsregel verwijzen beide naar hetzelfde recht. Niet van belang is of de erflater nog een andere nationaliteit heeft.

2. De erflater heeft op het moment van overlijden zijn gewone verblijfplaats in een ander land dan dat van zijn nationaliteit. Voor deze situatie geeft het Erfrechtverdrag twee hoofdregels:

a. De erflater heeft direct vóór zijn overlijden vijf of meer jaren achtereen zijn gewone verblijfplaats gehad in een ander land dan het land van zijn nationaliteit. Dan geldt het erfrecht van het land van zijn verblijfplaats;

b. De erflater heeft direct vóór zijn overlijden minder dan vijf jaren achtereen in een ander land dan dat van zijn nationaliteit verbleven. Dan geldt het recht van het land van zijn nationaliteit.
Uitzondering op de hoofdregels: de “nauwere band”

De hoofdregels wijzen aan welk erfrecht normaal gesproken van toepassing is. Soms wordt een uitzondering op die hoofdregel gemaakt. Dat is het geval wanneer de erflater een nauwere band had met een ander land dan de hoofdregel aanwijst. Zo’n band kan economisch, maar ook bijvoorbeeld cultureel of emotioneel zijn. Of van zo’n band sprake is, wordt van geval tot geval nagegaan aan de hand van de concrete omstandigheden. Wordt zo’n nauwere band geconstateerd, dan geldt het erfrecht van het land waarmee de erflater die nauwere band had. Daarnaast is een rechtskeuze mogelijk ter vermijding van deze problemen.
Rechtskeuze

Terug naar Suman. Doordat Suman langer dan vijf jaar zijn gewone verblijfplaats in Nederland had is volgens de hoofdregel het Nederlandse erfrecht van toepassing. Zou Suman bijvoorbeeld vier jaar na zijn emigratie zijn overleden, dan zou het Turkse erfrecht van toepassing zijn. Indien zou blijken dat Suman een sterke culturele of emotionele band met Turkije had, is eventueel volgens de uitzondering op de hoofdregel eveneens het Turkse erfrecht van toepassing. Om onduidelijkheden te voorkomen had Suman zijn rechtskeuze in een testament kunnen vastleggen.
30. Oud testament in nieuw erfrecht

De heer en mevrouw Jansen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben twee meerderjarige kinderen. In januari 1999 hebben de heer en mevrouw Jansen zogeheten ouderlijke boedelverdeling testamenten gemaakt om elkaar verzorgd achter te laten. De heer Jansen overlijdt in februari 2003 aan de gevolgen van een hartaanval. Mevrouw Jansen vraagt zich nu af of door de invoering van het nieuwe erfrecht de in 1999 opgemaakte ouderlijke boedelverdeling testamenten nog geldig zijn.
Erfrecht vóór 1 januari 2003:

Voor 1 januari 2003 was het erfrechtelijk uitgangspunt dat kinderen meteen hun kindsdeel konden opeisen. Dat hierdoor de langstlevende echtgenoot in financiële problemen kan geraken was niet belangrijk. Ter bescherming was het advies een testament op de langstlevende te maken. Testamenten op de langstlevende bestaan uit twee soorten testamenten, te weten:

  •     het vruchtgebruiktestament;
  •     de ouderlijke boedelverdeling.


Bij een ouderlijke boedelverdeling worden aan de langstlevende ouder alle bezittingen vermaakt onder de verplichting de schulden te betalen en de kindsdelen in geld uit te keren. De kinderen krijgen zodoende datgene in geld waar zij recht op hebben zonder met de bezittingen te gaan en/of te mogen slepen. De kindsdelen in geld worden ter verzorging van de langstlevende ouder pas in een beperkt aantal en beschreven situaties uitbetaald. In de praktijk vindt een uitbetaling pas plaats bij het overlijden van de langstlevende ouder. De langstlevende ouder heeft hierdoor tijdens leven slechts een papieren schuld aan de kinderen en is vrij in zijn of haar doen en laten. Deze vrijheid houdt de bevoegdheid in zo nodig of gewenst alles op te maken.
Erfrecht per 1 januari 2003:

Per 1 januari 2003 is het erfrecht gewijzigd. De langstlevende echtgenoot wordt indien géén testament gemaakt is via de wettelijke verdeling beschermd. Dit lijkt op de vroegere ouderlijke boedelverdeling testamenten.

Globaal kan worden gesteld dat de wettelijke verdeling een wettelijke vastlegging is van het gebruikelijke testament:

  • ouderlijke boedelverdeling.
  • Overgangsregeling:


Bij het invoeren van het nieuwe erfrecht is een overgangsregeling van toepassing voor testamenten die vóór 1 januari 2003 zijn opgemaakt. Deze testamenten blijven onverkort van toepassing ook al is de erflater na die datum overleden. Het testament van de heer Jansen blijft derhalve onverkort van toepassing. Zijn kinderen zullen moeten wachten op hun erfdeel totdat mevrouw Jansen óók is overleden, behoudens bijzondere omstandigheden die in het testament zijn vermeld.

Onder het nieuwe erfrecht is het maken van ouderlijke boedelverdeling testamenten niet meer mogelijk. Indien iemand overlijdt na 1 januari 2003 met achterlating van een echtgenoot en één of meer kinderen is de wettelijke verdeling van rechtswege van toepassing op deze nalatenschap, tenzij de overledene bij testament de wettelijke verdeling buiten toepassing heeft verklaard. Hierdoor is ook geen behoefte meer aan een ouderlijke boedelverdeling.
31. Geen testament

De wet gaat ervan uit dat de erfgenamen gezamenlijk en in onderling overleg de nalatenschap afwikkelen. Er bestaat ook de mogelijkheid tijdens leven reeds een persoon hiervoor aan te stellen. Deze persoon, de zogeheten executeur, is dan belast met de praktische uitvoeringswerkzaamheden die een overlijden nu eenmaal met zich meebrengt. Ook de begrafenis of crematie behoort desgewenst tot de taken van de executeur. De benoeming van een executeur kan uitsluitend geschieden bij testament.

Het is verstandig om vooraf overleg te plegen met de persoon die men als executeur in gedachten heeft. Heeft hij na het overlijden zijn executeurschap aanvaardt, dan is hij verplicht zijn taak tot de allerlaatste handeling te volbrengen.

In beginsel zullen de erfgenamen de benoemde executeur moeten accepteren.

Om de executeur in staat te stellen zijn werk te verrichten dient aan hem het recht van bezit te worden toegekend. Dit houdt in dat hij het beheer over de nalatenschap verkrijgt waarmee hij alle bezittingen onder zich kan nemen. Ook kan de executeur de huur opzeggen, vorderingen innen en schulden betalen en de successieaangifte ondertekenen.

In het testament kunnen de bevoegdheden van de executeur worden vastgelegd. Voor de verkoop van een eigen woning kan geregeld worden dat hij bijvoorbeeld toestemming van alle erfgenamen nodig heeft. De executeur is verplicht een boedelbeschrijving op te maken van alles wat tot de nalatenschap behoort en aan het einde van zijn beheer dient hij aan de erfgenamen rekeningen en verantwoording over zijn beheer af te leggen. De executeur heeft daarmee een verantwoordelijke taak. De notaris kan hem hier steeds met raad en daad terzijde staan.

In de wet is een regeling opgenomen over het loon van een executeur. Dit loon bedraagt 1% van het saldo van de nalatenschap. De mogelijkheid bestaat om af te wijken van de wet en zelf de beloning te bepalen op bijvoorbeeld een vast bedrag. De executeursbeloning komt ten laste van de boedel.

In voorkomende gevallen dat niemand in de familie of kennissenkring bereid is of in staat is de functie van een executeur op zich te nemen bestaat de mogelijkheid de notaris tot executeur te benoemen. Het strekt alsdan wel tot aanbeveling vooraf met de notaris de wensen en verlangens omtrent de uitvaart en de afwikkeling van de nalatenschap door te nemen.

notaris_almere_ buiten_logo
Maak gebruik van onze expertise

Een afspraak is zo gemaakt

Nu voor later.

Bij afwezigheid van huwelijkse voorwaarden is een echtpaar in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Behoudens enkele uitzonderingen is het totale vermogen gemeenschappelijk. Bij overlijden is de helft van dat totale vermogen de nalatenschap. Anders gezegd: indien om de eettafel zes stoelen staan dan vallen drie stoelen in de nalatenschap samen met de helft van die tafel.
Wettelijk erfrecht

Wil je meer weten vraag het aan de notaris

Met ingang van 1 januari 2003 is het erfrecht gemoderniseerd. Volgens de ‘wettelijke verdeling’ komt de hele nalatenschap van de overleden echtgenoot toe aan de langstlevende echtgenoot. Deze laatste krijgt alles wat tot erfenis van de overledene behoort, inclusief eventuele schulden. Onder die schulden worden ook begrepen geacht de aan de kinderen schuldig te erkennen erfdelen. Deze schuld aan een kind is overigens niet opeisbaar zodat de langstlevende het huis niet hoeft te verkopen om die kinderen hun erfdeel uit te keren.

De kinderen krijgen een vordering op hun vader of moeder ter grootte van hun erfdeel. Dat wil zeggen dat het erfdeel van hun overleden ouder pas wordt uitgekeerd als hun vader of moeder dat zelf ook wil of nadat hun vader of moeder ook zal zijn overleden. Een rentevergoeding vindt plaats als de inflatiegevolgen moeten worden gecorrigeerd. Maar ook deze rente wordt pas betaald nadat hun vader of moeder is overleden.

De kinderen hebben geen wettelijk recht meer op directe uitkering van hun erfdeel. Als de langstlevende ouder de wettelijke verdeling niet wenst, kan hij deze bij de notaris ongedaan maken. Dit moet alleen wel binnen drie maanden na het overlijden van de eerststervende ouder gebeuren. In dat geval moeten de langstlevende ouder en de kinderen samen de nalatenschap van de overleden ouder verdelen.
Waarom nog een testament?

In een testament kunnen ook andere kwesties worden geregeld. Zo kan voor het geval beide ouders zijn overleden één of twee voogden worden aangewezen. Voorts kan worden bepaald dat hetgeen de kinderen erven slechts van hen is en niet gedeeltelijk van hun huidige of toekomstige partners.

notaris_almere_ buiten_logo
Maak gebruik van onze expertise

Een afspraak is zo gemaakt

Onderneming oprichten

Welke juridische vorm is geschikt voor uw bedrijf?

Welke rechtsvorm het beste past bij uw bedrijf, hangt af van uw situatie. Bijvoorbeeld hoe u de aansprakelijkheid regelt en wat fiscaal voordelig is.

Wil je meer weten vraag het aan de notaris

Er zijn verschillende mogelijkheden om een eigen bedrijf te beginnen zoals:

  • eenmanszaak
  • vereniging
  • stichting
  • VOF
  • BV
  • Corporatie
  • Maatschap

Eenmanszaak

Een ieder die voor eigen rekening en risico een onderneming drijft, heeft een eenmanszaak. In dat geval is er voor wat betreft de eigendom geen onderscheid tussen het ondernemingsvermogen en privévermogen van die ondernemer. Door middel van boekhouden worden ondernemings- en privévermogen wel afzonderlijk geadministreerd, bijvoorbeeld met het oog op de inkomstenbelasting.

Financiële aansprakelijkheid

Een eenmanszaak heeft bezittingen en schulden. De ondernemer met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor alle schulden. Schuldeisers van de eenmanszaak kunnen zich direct op het privévermogen verhalen, terwijl privéschuldeisers de bezittingen van de onderneming kunnen aanspreken.

Aansprakelijkheid echtgenoot

Een ondernemer die in gemeenschap van goederen is gehuwd trekt het aandeel in de gemeenschappelijke bezittingen van zijn echtgenoot mee indien er verliezen worden geleden in de onderneming. De echtgenoten worden er in dat geval met de neus opgedrukt dat ook tegenspoed voor gezamenlijke rekening komt zodra de eenmanszaak wordt aangesproken door zijn schuldeisers.

Oprichting

Voor een eenmanszaak is alleen inschrijving bij het handelsregister nodig. De belastingdienst stuurt daarna automatische informatie toe omtrent de fiscale status van uw onderneming. Indien u geen bericht ontvangt van de belastingdienst bent u zelf verantwoordelijk om contact op te nemen met deze instelling, omdat diverse belastingen op aangifte door de belastingplichtige moeten worden voldaan. De tussenkomst van een notaris is niet verplicht maar wel aan te bevelen met het oog op diverse gevolgen van bewuste of onbewuste keuzes die een ondernemer maakt bij de start en gedurende het bestaan van de onderneming. Denk daarbij aan de vraag of de eenmanszaak wel de meest geschikte vorm is. Verder zal een notaris kunnen adviseren bij het aanpassen van het huwelijksgoederenregiem door een eventuele gemeenschap van goederen om te zetten in huwelijkse voorwaarden. Ook de wenselijkheid van een testament of volmacht kan dan besproken worden.

Oprichting B.V.

 

Algemeen

Eén van de vormen waarin een ondernemer zijn onderneming kan opzetten, is die van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, kortweg aangeduid met B.V. De notaris is bij de totstandkoming van een B.V. vrijwel altijd de coördinerende figuur. De belangrijkste reden om voor een B.V. te kiezen is een beperking van de aansprakelijkheid van de ondernemer. De fiscale voordelen zijn per 1 januari 2001 door de nieuwe fiscale wetgeving minder geworden.

 

Een B.V. neemt aan het rechtsverkeer deel en kan rechtshandelingen verrichten zoals kopen en verkopen, huren en verhuren en personeel in dienst nemen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Elke B.V. kan door dergelijke handelingen winst of verlies maken.

 

Heeft een B.V. schulden, dan kunnen de schuldeisers in beginsel alleen maar aanspraak maken op het vermogen van de B.V. en niet op dat van haar directeuren of aandeelhouders, tenzij er sprake is van misbruik of overtreding van bepaalde van bepaalde wettelijke regels.

Oprichting

Sinds 1 oktober 2012 is de oude kapitaalseis voor het oprichten van een B.V. met tenminste € 18.000,00 in geld of in goederen vervallen.

Het oprichten van een B.V. gebeurt bij notariële akte, waarin de statuten van de B.V. worden opgenomen. In de statuten staan de naam en het doel van de besloten vennootschap, de vestigingsplaats, de grootte van de aandelen, stemgerechtigdheid en/of winstgerechtigdheid van specifieke aandelen, eventueel de bepaling tot welk maximaal bedrag aandelen kunnen worden uitgegeven en een regeling die de mogelijkheid beperkt om aandelen aan anderen over te dragen. In deze laatstgenoemde regeling zit dus de “beslotenheid” van de B.V. In de oprichtingsakte staat ook hoeveel aandelen elke oprichter krijgt en wie directeur is.

Leveren van aandelen

De inschakeling van de notaris is verplicht bij de uitgifte en levering van aandelen op naam. Uitgifte en levering moeten namelijk worden vastgelegd in een notariële akte. Worden bij de oprichting van een vennootschap aandelen uitgegeven, dan wordt dat direct in de oprichtingsakte geregeld.

Inschrijving

Na ondertekening van de oprichtingsakte zorgt de notaris ook voor de inschrijving van de B.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dat is met name van belang om de beperkte bestuurder aansprakelijkheid van kracht te doen zijn. 

Vereniging

 

Algemeen

In Nederland bestaat het grondrecht; “vrijheid van vereniging”. Dit betekent dat ieder doel hoe ook genaamd kan worden aangegrepen om in verenigingsverband te gaan samenwerken. Het Burgerlijk Wetboek regelt hoe een vereniging tot stand komt. Het doel van de vereniging mag niet in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden. Overigens mogen verenigingen óók winst maken. De winst mag alleen niet worden uitgekeerd aan de leden doch dient ten goede te komen aan het doel van de vereniging of het goede doel.

Oprichting

Er zijn twee mogelijkheden voor de totstandkoming van een vereniging, te weten oprichting bij notariële akte (volledige rechtsbevoegdheid) danwel anderszins (beperkte rechtsbevoegdheid). Een vereniging kan dus ook tot stand komen door mondelinge afspraak of door zelf op papier de oprichting en statuten vast te stellen, hetgeen overigens niet verstandig is.

Indien de vereniging niet bij notariële akte is opgericht, zijn bestuurders naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de vereniging, soms zelfs ná hun aftreding. Daarnaast zijn bestuurders aansprakelijk wanneer de vereniging en het bestuur niet correct staan ingeschreven in het handelsregister. Het is raadzaam iedere vereniging bij notariële akte vast te leggen met inschrijving van de vereniging en het bestuur in het handelsregister.

Daarnaast gaat de wet ervan uit dat de vervulling van de bestuurstaak een collectieve verantwoordelijkheid is. Ter beperking van de aansprakelijkheid is het van belang jaarlijks de jaarrekening vast te stellen. Daarnaast is het advies een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.

 

Interne organisatie

Bij de oprichting van de vereniging vormen de statuten een belangrijk stuk. Uit de statuten blijkt de interne organisatie van de vereniging. De statuten bepalen hoe de leden onderling en hoe de leden met het bestuur en omgekeerd met elkaar dienen om te gaan. Het strekt tot aanbeveling nauwgezet de statuten te volgen.

In de statuten dienen ten minste de volgende punten te staan:

 

  • de naam van de vereniging en de gemeente in Nederland waar zij gevestigd is;
  • het doel van de vereniging;
  • de verplichtingen die de leden hebben tegenover de vereniging, of de wijze waarop deze verplichtingen kunnen worden opgelegd;
  • de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering;
  • de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders;
  • de bestemming van het batig saldo van de vereniging in geval van ontbinding of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld.

In de praktijk komt het nogal eens voor dat de statuten niet worden nageleefd doordat bijvoorbeeld de werkwijze van de vereniging afwijkt van hetgeen in de statuten staat. Daarnaast komt het voor dat door tijdsverloop en wetswijzigingen de statuten oud en verouderd zijn. Aanpassing en actualisering van de statuten strekt alsdan tot aanbeveling. 

Stichting

 

Algemeen

Vanouds zijn stichtingen voor allerlei goede doelen opgericht. Sinds het begin van de vorige eeuw heeft het gebruik van de stichtingsvorm een enorme vlucht genomen. Met name op het gebied van het maatschappelijk welzijn treft men thans stichtingen aan. De stichting onderscheidt zich van de vereniging doordat de wet verbiedt dat de stichting leden heeft.

Doel

Voorzover de stichting ten doel heeft uitkeringen te doen, zijn deze uitkeringen beperkt tot het ideële, sociale terrein. Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan haar oprichters of aan hen die deel uitmaken van organen binnen de stichting (zoals het bestuur).

Oprichting

De stichting kan uitsluitend worden opgericht bij notariële akte of bij testament. De stichting is een rechtspersoon en is zelfstandig drager van rechten en verplichtingen. In de oprichtingsakte moeten de statuten van de stichting worden opgenomen. Tevens worden vaak in de statuten opgenomen de verplichtingen en bevoegdheden van het bestuur alsmede de wijze waarop bestuursleden worden benoemd en ontslagen. Wijziging van de statuten zal steeds, na een daarop gericht besluit van het stichtingsbestuur, in een nieuwe notariële akte moeten worden vastgelegd.

Interne organisatie 

De stichting kent meestal slechts één bestuursorgaan namelijk het bestuur. Het bestuur bestuurt de stichting en vertegenwoordigt de stichting. De stichting mist in beginsel een toezichthoudend orgaan tegenover het bestuur. Tenzij de statuten anders bepalen, is het bestuur dus geen rekening en verantwoording aan anderen schuldig. Overigens zijn het openbaar ministerie en de rechtbank bevoegd in bijzondere gevallen het stichtingsbestuur te controleren en zonodig te ontslaan.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Bij de beoordeling van mogelijke aansprakelijkheid van bestuurders tegenover de stichting staat centraal de wettelijke regel: iedere bestuurder moet zijn bestuurstaak behoorlijk uitoefenen. Uitgangspunt van de wet is een collectieve aansprakelijkheid van het bestuur. In geval van faillissement van de stichting zal de faillissementscurator het initiatief kunnen nemen tot aansprakelijkheidstelling van de (ex-) bestuurders.

De aansprakelijkheid van stichtingbestuurders tegenover anderen ontstaat allereerst als de stichting niet is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Tevens – en dit vormt de belangrijkste grond voor bestuurdersaansprakelijkheid – kan de bestuurder tegenover derden aansprakelijk zijn door het plegen van een onrechtmatige daad of wanprestatie, dan wel wegens misleiding, maar dan moet de bestuurder wel vooraf geweten hebben dat de stichting niet tot nakoming van de door hem aangegane verplichtingen in staat zal zijn. De overige bestuurders kunnen ook worden aangesproken als gehandeld is op basis van een collectief bestuurder.

Handelsregister

Alle stichtingen worden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ook moeten daar de statuten ter inzage worden neergelegd en dienen in het register de bestuurders te worden ingeschreven.

Vennootschap onder firma

Bij de vennootschap onder firma (vof) wordt onderscheid gemaakt tussen het vennootschapsvermogen en de privévermogens van de firmanten. Het vennootschapsvermogen bestaat bij het begin van de vof uit het door de oprichters/firmanten bijeen gebrachte vermogen (inbreng). Dit vermogen kan later aangroeien door gemaakte winsten of verhoging van de inbreng.

Het vennootschapsvermogen wordt ook wel het afgescheiden vermogen van de vof genoemd, primair bedoeld voor de zakelijke schuldeisers. Tijdens het bestaan van de vennootschap kunnen de privéschuldeisers van de firmanten zich niet verhalen op het vennootschapsvermogen. De zakelijke schuldeisers kunnen echter wel aanspraak maken op de privévermogens van de firmanten, als het vennootschapsvermogen niet toereikend is.

Bevoegdheid van de vennoten

Anders dan bij de maatschap, waarbij een maat voor ‘bevoegde vertegenwoordiging’ volmacht moet krijgen van de overige maten, is iedere vennoot afzonderlijk bevoegd om namens de vof te handelen. Er zijn echter drie wettelijke uitzonderingen. Een firmant is niet bevoegd als:

  • in de vennootschapsakte staat dat een firmant geen vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft;
  • de verrichte handeling niet binnen het doel van de vennootschap valt;
  • het gaat om een handeling waartoe een firmant volgens de overeenkomst onbevoegd is.

Continuïteit waarborgen

Overlijdt een van de zakelijk partners, dan eindigt de vof. De andere vennoten kunnen de onderneming (eventueel met een nieuwe partner) alleen voortzetten als er bijzondere contractuele regelingen afgesproken zijn. Het kan hierbij gaan om het voortzettingsbeding, het verblijvingsbeding en het toescheidingsbeding. Deze kan men in de vennootschapsovereenkomst laten opnemen. Het is raadzaam om, met het oog op de continuïteit, uw notaris om advies te vragen op dit punt.

Maatschap

Bij een maatschap is iedere maat voor een gelijk deel aansprakelijk voor de maatschapschulden. Er is een maatschapvermogen, primair bedoeld voor de zakelijke schuldeisers. Tijdens het bestaan van de maatschap kunnen privéschuldeisers van de maten zich niet verhalen op het maatschapvermogen. De zakelijke schuldeisers kunnen wel aanspraak maken op de privévermogens van de maten, als het maatschapvermogen niet toereikend is.

Beheersdaden

Elke maat mag beheersdaden verrichten, tenzij in de maatschapovereenkomst een andere regeling is overeengekomen. Beheersdaden zijn handelingen die tot de normale gang van zaken van de maatschap worden gerekend, zoals de uitvoering van het dagelijkse werk.

Beschikkingshandelingen

Deze handelingen vallen buiten de normale activiteiten van de maatschap. De maten kunnen een beschikkingshandeling alleen samen met elkaar verrichten vanwege het uitzonderlijke karakter ervan. Een voorbeeld van een beschikkingshandeling is de aankoop van een pand waarin de maatschap activiteiten wil gaan uitoefenen.

Bevoegdheid van de maten

De bevoegdheid om als maat beslissingen te nemen of overeenkomsten te sluiten op naam van de maatschap hangt af van:

  • de wet;
  • het doel van de maatschap;
  • de volmacht die een maat van zijn medematen krijgt;
  • nadere afspraken in het maatschapcontract.


Sluit een maat als bevoegd vertegenwoordiger namens de maatschap een overeenkomst, dan zijn alle maten aansprakelijk voor gelijke delen. Handelt een maat in strijd met zijn bevoegdheid, dan bindt hij de overige maten niet.

Winst en verlies

De winsten en verliezen worden verdeeld in verhouding tot ieders inbreng, tenzij hier andere afspraken over zijn gemaakt in het maatschapcontract. Het is verboden om te bepalen dat een van de maten alle winst krijgt. Wel mag overeengekomen worden dat een van de maten alle verliezen draagt.

Continuïteit waarborgen

Overlijdt een van de zakelijk partners, dan eindigt de maatschap. De andere vennoten kunnen de onderneming (eventueel met een nieuwe partner) alleen voortzetten als er bijzondere contractuele regelingen afgesproken zijn. Het kan hierbij gaan om het voortzettingbeding, het verblijvingsbeding en het toescheidingsbeding. Deze kan men in de maatschapovereenkomst opnemen. Het is raadzaam om, met het oog op de continuïteit, uw notaris om advies te vragen op dit punt.

Commanditaire vennootschap

Een beherend vennoot van de commanditaire vennootschap (cv) is persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de cv. Daartegenover is een commanditaire/stille vennoot alleen aansprakelijk voor het bedrag dat deze heeft ingebracht in de cv. Een commandiet ontvangt geen rente op het door hem ingelegde geld.

Bij een cv (met meer dan één beherend vennoot) is sprake van een afgescheiden vennootschapsvermogen, primair bedoeld voor de zakelijke schuldeisers. Privéschuldeisers van de vennoten kunnen hier geen aanspraak op maken. De zakelijke schuldeisers kunnen daarentegen wel aanspraak maken op de privévermogens van de beherende vennoten indien het vennootschapsvermogen niet toereikend is.

Bevoegdheid

Een commanditaire vennoot moet aan een aantal voorwaarden voldoen, om niet als beherende vennoot te worden gezien:

  • De commanditaire vennoot mag zich naar buiten toe niet gedragen als een beherende vennoot, dus geen beheersdaden of beschikkingsdaden verrichten. Dan zou hij namelijk aansprakelijk worden alsof hij beherend vennoot van de cv is.
  • De eigen naam van de commanditaire vennoot mag niet in de naam van de vennootschap voorkomen. Hierdoor zou immers de schijn gewekt kunnen worden dat de commanditaire vennoot een beherend vennoot, en dus aansprakelijk vennoot, is. Overigens kan onder omstandigheden van deze regel worden afgeweken.
notaris_almere_ buiten_logo
Maak gebruik van onze expertise

Een afspraak is zo gemaakt

Levering onroerend goedrecht

Het is de taak van een notaris om er op toe te zien dat zowel de verkoper als de koper voldoen aan de door hen in de koopovereenkomst op zich genomen verplichtingen die samenhangen met de levering. Zo zal de notaris erop toezien dat de verkoper de woning, volgens afspraak, zonder hypotheek of beslag levert en dat de koper (dan wel diens hypotheekbank) de koopsom tijdig bij hem stort.

Wil je meer weten vraag het aan de notaris

Daarvoor verricht de notaris de volgende werkzaamheden:

  • Het ontvangen en kennisnemen van de koopovereenkomst, opdracht en/of bijkomende stukken ter zake van de op te stellen akte van levering of hypotheek;
  • Onderzoek bij het kadaster (tot drie keer toe):

    a. naar de tenaamstelling van de woning (de tenaamstelling wordt vlak voor het tekenen van de akte van levering nogmaals gecontroleerd);

    b. naar eventueel aanwezige hypotheken (en/of beslagen) op de woning, bij de start van het dossier, vlak voor het tekenen van de akte van levering en direct nadat de inschrijving in het kadaster is gemeld aan de notaris (pas daarna worden de gelden uitgekeerd zoals vermeld op de afrekening);
  • Het opvragen en bestuderen van de eigendomsakte van de verkoper voor wat betreft de wijze en het tijdstip waarop de eigendom door hem is verkregen; 
  • Eventueel verder onderzoek in het kadaster als de eigendomsakte niet meer aanwezig is of niet de huidige situatie weergeeft (bijvoorbeeld door echtscheiding of overlijden); 
  • Controle van de identiteit van verkoper en koper, aan de hand van identiteitspapieren (paspoort/rijbewijs); 
  • Onderzoek naar de huwelijkssituatie (of geregistreerd partnerschap). Was de verkoper ten tijde van de eigendomsverkrijging gehuwd en is dat nu nog zo? 
  • Zo nodig onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de verkoper in andere registers (faillissements-, curatele-, bewind-, gezags-, huwelijksgoederen- of handelsregister); 
  • Aan de hand van het eigendomsbewijs onderzoeken welke erfdienstbaarheden, kwalitatieve verplichtingen of bijzondere bepalingen (kettingbedingen of gemeentelijke voorschriften) bestaan en de geldende bepalingen opnemen in de akte van levering;
  • Onderzoek naar eventueel uit het kadaster blijkende belemmeringen (Wet Voorkeursrecht Gemeenten, Belemmeringenwet Privaatrecht, enz.); 
  • Het op schrift krijgen van de eventueel vereiste toestemming van een echtgenoot, van de gemeente in geval van erfpacht of van de Vereniging van eigenaars in geval van een appartementsrecht; 
  • Onderzoek of er sprake is van een monument of dat de woning binnen een beschermd stadsgezicht ligt; 
  • Het opmaken van de akte van levering, met toezending vooraf van de ontwerptekst aan verkoper, koper en ieders makelaar; 
  • Het gevraagd en ongevraagd geven van voorlichting over de consequenties van de overdracht; 
  • Het toezicht houden op de betaling van de overeengekomen waarborgsom of op de afgifte van een bankgarantie;
  • Het maken van een volmacht indien een cliënt onverhoopt niet bij het ondertekenen van de akte aanwezig kan zijn. ( N.B.: Indien de koper financiert met behulp van een hypothecaire geldlening moet die volmacht worden opgenomen in een notariële akte ); 
  • Het tijdig sturen van nota’s van afrekening aan koper en verkoper met vermelding van koopsom, verrekening van jaarlijkse lasten indien deze door de verkoper zijn opgegeven, opgave van de verschuldigde overdrachtsbelasting (6% over de koopsom; bij erfpacht is een hoger bedrag verschuldigd) en verdere kosten. Op verzoek van de makelaar wordt meestal ook diens courtage op de rekening gezet. De waarborgsom en het eindbedrag van de nota van afrekening moeten door de koper tijdig worden overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de notaris. Wat betreft het eindbedrag moet dit zo tijdig gebeuren dat de bank van de notaris de ontvangst ervan (telefonisch) kan bevestigen vóórdat de akte van levering wordt gepasseerd. Voor een overboeking door de bank van een hypotheeksom geldt hetzelfde. Eindigt de nota van afrekening met een te ontvangen bedrag, dan wordt dit overgemaakt zodra het derde onderzoek (na de inschrijving in het kadaster, zie punten 8 en 20) bevestigd heeft dat er zich geen onverwachte situaties hebben voorgedaan (bijv. een beslaglegging door een schuldeiser). Ervan uitgaande dat de desbetreffende cliënt daarmee instemt wordt een kopie van de nota van afrekening ook aan zijn makelaar toegezonden. 
  • Controle dat de volledige koopsom (inclusief de hypotheeksom) tijdig op de derdengeldenrekening is gestort;
  • Het na het geven van een toelichting ondertekenen van de akte van levering (“passeren”) en de aanbieding van een afschrift aan het kadaster ter inschrijving van de eigendomswijziging; 
  • Na de inschrijving controle aan de hand van het derde kadasteronderzoek (zie) of er geen (verdere) beslagen zijn gelegd en het vervolgens uitbetalen van de gelden. 
  • Toezending van het door het kadaster van een inschrijvingsstempel voorziene afschrift van de akte (het “eigendomsbewijs”).
  • Zorgdragen voor doorhaling van ten name van verkoper afgeloste hypothecaire inschrijvingen bij het kadaster.
notaris_almere_ buiten_logo
Maak gebruik van onze expertise

Een afspraak is zo gemaakt

Hypotheek

In Nederland kunnen vandaag de dag veel mensen eigenaar zijn van hun woonhuis in plaats van huurder. Dit is mede mogelijk gemaakt door de fiscale regelgeving die voordelig is indien de aankoop van de eigen woning wordt gefinancierd met geleend geld.

Wil je meer weten vraag het aan de notaris

Met name wordt de te betalen rente daarbij in mindering gebracht op andere inkomsten in box 1 (inkomsten uit werk en wonen).

Teneinde de rentelast niet al te hoog op te laten lopen hebben de Nederlandse financiële instellingen een praktijk ontwikkeld waarbij door het stellen van zekerheid het risico van niet betalen door de schuldenaar wordt verkleind. Een lager risico betekent een lagere renteverplichting voor de schuldenaar. Dat stellen van zekerheid kan in het Nederlandse rechtssysteem gebeuren door het verlenen van een pandrecht of een hypotheekrecht. Deze twee rechten worden ook wel zekerheidsrechten genoemd. Daarbij rust een pandrecht op roerende zaken en vermogensrechten (bijvoorbeeld bankrekeningen of verzekeringspolissen) en een hypotheekrecht op registergoederen (grond en schepen of luchtvaartuigen voor zover opgenomen in een Nederlands kadaster).

Door het ondertekenen van de hypotheekakte geeft de schuldenaar aan zijn financier met name het recht om bijvoorbeeld het woonhuis van die schuldenaar in het openbaar (via een veiling) te verkopen en de verkoopopbrengst met voorrang boven andere schuldeisers te gebruiken tot verhaal van hetgeen die financier op dat moment te vorderen heeft van die schuldenaar. Die financier (ook wel genaamd: “hypotheekhouder” of: “bank”) mag dat recht niet willekeurig gebruiken.

In de praktijk zie je dat een bank van dit recht pas gebruik maakt wanneer gedurende een zeker tijdsverloop de schuldenaar geen rente (en/of aflossing) meer betaald zonder daarover nadere afspraken te maken met de bank. In dat geval geeft de schuldenaar reden aan zijn bank om ernstig te twijfelen aan het terugontvangen van de verschuldigde bedragen. Alsdan kan die bank besluiten om de gelden dan maar via een veiling terug te krijgen.

Bij het verlenen van dat zekerheidsrecht worden in Nederland altijd een aantal extra rechten bedongen of verplichtingen opgelegd door een hypotheekhouder. Met name zijn dat de volgende:

  • de bank heeft bij de afwikkeling van een veiling niet alleen een voorrangsrecht ten opzichte van andere schuldeisers voor wat betreft de hoofdsom van de geldlening(en). Ook voor achterstallige rentebedragen en een vergoeding voor te maken kosten is zij bevoorrecht. Deze laatste bedragen worden bij de zekerheidstelling begroot op een bepaald maximum als percentage van het inschrijvingsbedrag (bijvoorbeeld 35, 40, 50 of 60%). Deze opslag zegt niets over het totaal terug te betalen bedrag maar geeft alleen aan hoe ver de bank de schuld met renteachterstand en veilingkosten kan laten oplopen voordat zij haar sterkere positie ten opzichte van andere schuldeisers kwijt raakt bij het verdelen van de veilingopbrengst.
  • Verplichting tot het onderhouden van het onderpand. Het zal duidelijk zijn dat een net onderhouden woonhuis bij verkoop meer zal opleveren dan een uitgewoond en verwaarloosd kot.
  • Verplichting tot het sluiten van een opstalverzekering die tenminste brandschade en eventueel andere schades dekt. Zonder opstalverzekering zou bij brand of andere schade het onderpand sterk in waarde dalen. Door de uitkering van die verzekering krijgt de financier in ieder geval geld in handen waarmee hetzij het onderpand kan worden herbouwd, hetzij de schuld van de schuldenaar geheel of gedeeltelijk kan worden afgelost.
  • Verbod tot verhuur van het onderpand. Verhuurde woonruimte is in de Nederlandse markt meestal minder waard dan vrij opleverbare woonruimte. Indien nu de schuldenaar zou verhuren dan zou zonder dit verbod de financier een onderpand slecht in verhuurde staat en dus met een lagere verkoopopbrengst kunnen veilen. Om toch vrij van huur te kunnen verkopen bedingt elke financier dat het onderpand niet mag worden verhuurd zonder zijn toestemming, zodat een eventuele huurder bij veiling uit de woning kan worden gezet. In dat geval krijgt die huurder overigens wel recht op schadevergoeding van de verhuurder, welke vordering in rang direct na de veilende financier komt.
  • Het recht van beheer. De ervaring leert dat mensen die moeite hebben om de eindjes financieel aan elkaar te knopen als eerste bezuinigen op onderhoud. Daardoor komt het voor dat woningen die geveild moeten worden er verwaarloosd bij liggen. Dit vertaald zich dan in een lagere verkoopopbrengst. Met het recht van beheer krijgt de bank de mogelijkheid om zelf een schilder of timmerman door het huis te laten gaan om één en ander op te knappen teneinde een hoger veilingbod te verkrijgen. De kosten die daarvoor gemaakt worden komen voor rekening van de geëxecuteerde.
  • Het recht van ontruiming. Een koper op een veiling is eerder bereidt om meer te bieden indien de woning leeg en ontruimd ter beschikking komt. Vandaar dat in het zekerheidsrecht altijd wordt bepaald dat de bank de woning bij gelegenheid van de veiling kan ontruimen. Daarbij worden de inboedelgoederen aan de straatkant gezet. Opslag van de ontruimde goederen blijft de verantwoordelijkheid van de eigenaar en niet van de bank.
notaris_almere_ buiten_logo
Maak gebruik van onze expertise

Een afspraak is zo gemaakt

Scroll Up